(5) Generale – Familie, een making-of

Geen enkele repetitie geeft mij als speler zo’n ongemakkelijk gevoel als de generale. Het komt er nu immers op aan alle handelingen, alle teksten, alle changementen, perfect op elkaar af te stemmen. Sleutelen aan wat nog niet goed zit, blij zijn met wat wel goed zit. Het spelen van een generale is als het inrijden van een lange tunnel, waar geen plaats is voor enige input van buitenaf. De enige die op de passagiersstoel zit, is de regisseuse. Zij heeft het alleenrecht op de beslissing linksaf, rechtsaf of rechtdoor te gaan. En het mooie is: in een tunnel neem je gevoelsmatig alle afslagen die er te nemen zijn, maar kan je alleen rechtdoor.

Bij iedere aanwijzing word ik me pijnlijk bewust van het feit dat het ‘even’ geen moer uitmaakt dat ik al vaker naar een toneelproductie toe heb gewerkt. Het voelt als ‘opnieuw leren lopen’. Letterlijk. De momenten waarop de regisseuse voordoet hoe ik, kennelijk, als een balletdanser het toneel op loop, zijn het meest confronterend. Dat is dus een ingesleten loopje waarvan ik me niet eens meer bewust ben. Waarom loop ik niet gewoon in rechte pas naar mijn plaats toe? Hoe vaak ik vandaag wel niet gedacht heb: shit, ik kan me dus niet eens normaal bewegen op het toneel. Daar ga je dan, met je overtuiging dat je de afgelopen jaren heus wel wat geleerd hebt.

Ik heb van deze generale in ieder geval één heel belangrijke les meegenomen: je begint altijd weer bij nul. Zeker als je jezelf niet vlak voor elke scène even wakker schudt. De mooiste metafoor die ik in dit verband ooit ben tegengekomen, is die van het steentje in je schoen. Zorg dat je jezelf afleidt. Comfort is de dood voor iedere speler.

Nog één dag zonder voorstelling te gaan. Ik ga maar eens een tunnel slopen. Tot de laatste steen.

 

(4) Dubbelrol – Familie, een making-of

Ik heb een dubbelrol. Wie, wat, waar – dat laat ik nog even in het midden tot aan de voorstelling. Maar die dubbelrol vraagt wat. Van mij als speler, maar ook van mij als mens. Iets waar ik nog steeds niet zo heel erg goed in ben: lichtheid.

Voor mensen zoals ik, die geneigd zijn zich op nadrukkelijke wijze te manifesteren zodra er iets van hen wordt verwacht, is lichtheid een grote opgave. Lichtheid is immers lastig te rijmen met de drang overal mijn best voor te doen. Door die drang maak ik mijn spel al gauw ‘te zwaar’, of ‘houterig’, ‘geforceerd’ – you name it, we have it. Gelukkig is daar dan de regisseuse, die de tijd neemt om met mij aan mijn teksten te werken en mij vooral het volgende op het hart drukt: ‘adem’. Breng rust in wat je vertelt. Zorg ervoor dat het publiek de kans krijgt de informatie tot zich te nemen. Zorg voor lucht.

Een tweede aanwijzing die ik krijg, heeft te maken met ‘in een groef zitten’. Ik kies als speler heel snel voor een bepaalde invulling van een rol of tekst en houd die invulling consequent vast – kracht en valkuil tegelijk, want stabiel, maar ook star; want rustig, maar ook statisch. Hoe fijn zou ik het vinden als het mij lukt om, tijdens het hele repetitieproces, een rol of tekst van meerdere kanten te blijven benaderen en dus meerdere dingen uit te proberen. Uit die groef.

Zelfs hier, op deze plek, maak ik me er schuldig aan. Praten in termen van ‘mensen zoals ik’, daarmee creëer ik immers ook een groef. Een hokje. Alsof alles vaststaat.

Hoog tijd om ook in het echte leven een dubbelrol aan te nemen.

(3) Kind-zijn – Familie, een making-of

Deze zonnige woensdag stond, als een van de weinige dagen deze week, niet in het teken van de aankomende productie. Ik besloot vanochtend mijn eerste training voor de Vierdaagse (ja, ik ga ‘m lopen) te houden. De volledige N70-route in de prachtige omgeving van Beek, Ubbergen en Berg en Dal vormde mijn decor. Niet bezig zijn met het theater, niet bezig zijn met mijn teksten, al helemaal niet bezig zijn met mijn werk – het was, in ieder geval een poging tot, volledige overgave.

Een poging, want zelfs wanneer de rustige beekjes, de hoge heuvels en de groene bomen je enige uitzicht vormen, blijkt het nog niet zo gemakkelijk je gedachten uit te zetten. Gedurende een groot deel van de tocht ben ik bezig met wat komen gaat. En nog erger: met wat al geweest is. Niets nodigt meer uit tot overpeinzingen over verleden, heden en toekomst dan een lange wandeling in je eentje. Er is immers niemand die je afleidt, niemand die je dwingt uit je hoofd te komen.

Ja, ik heb tegen wel twintig wandelaars hallo gezegd. Ik heb me gelaafd aan de conversaties op het terras van een bekend pannenkoekenrestaurant. Ik heb me geërgerd aan kleine kinderen, die niet stil kunnen zitten in de bus. Ik heb mijn best gedaan niet in mijn corrigerende docentenrol te vervallen bij het zien van vier puberjongens die, weliswaar in het bijzijn van twee volwassenen, grote takken over hun schouder tillen en daarmee af en toe om zich heen slaan. Ik heb me meteen afgevraagd: wat is dat toch, dat je je rond je dertigste op loopt te winden over dingen die je als kind koud lieten?

En straks, op dat podium, ontkom ik er niet aan. Kind-zijn in de rol van een volwassene. Wellicht speel ik daarom toneel.

(2) Laat de tekst het werk doen – Familie, een making-of

Vanavond kwamen we met de spelers bij elkaar om nog één keer, zonder toezicht van de regisseuse, alle scènes van Familie te repeteren. Zo’n laatste gelegenheid, om nog één keer ‘zoekend’ door het hele stuk heen te gaan, is extra spannend. Voelen we ons senang in onze rol? Weten we hoe we onze teksten moeten spelen? Lukt het ons om de laatste veranderingen, die je nu eenmaal altijd tot het moment van uitvoering nog krijgt doorgespeeld, toe te passen?

Wat meteen opvalt, is dat iedereen anders reageert op last-minute regieaanwijzingen. De een wordt er ongemakkelijk van, omdat hij of zij al een vastomlijnde speelstijl in het stuk heeft ontwikkeld en nu ineens weer nieuwe opdrachten krijgt. De ander vindt het alleen maar prettig, omdat er altijd losse eindjes blijven. Ik ben die ander. Bij elke nieuwe repetitie van een scène ontdek ik weer dingen. Te zwaar spelen is geen optie, want de kracht van het stuk zit hem in de luchtigheid waarmee de tekst, die van zichzelf al heftig genoeg is, wordt gebracht. Niet voor niets neem ik de bij vorige producties verkregen aanwijzing ‘Laat de tekst het werk doen’ ter harte. Te licht, te vrolijk spelen kan ook niet, want dan ligt het gevaar van karikaturaal spel op de loer. Het moet wel geloofwaardig blijven.

De beste benadering van Familie als speler schuilt wat mij betreft in het vertrouwen op de tekst. Bij iedere lezing van het script merk ik des te meer op dat over elke regel is nagedacht. Onder elke zin zit een lading, die ook wel kan worden aangeduid als subtekst. Als het mij lukt, ons lukt, om die subtekst komend weekend voelbaar te maken voor het publiek, dan zijn we wat mij betreft geslaagd in onze opdracht.

(1) Alles voor het eerst – Familie, een making-of

De laatste week voor de voorstelling is aangebroken. Binnen zeven dagen laat ik, met een fijne groep acteurs, aan iedereen die maar wil, zien waar we de afgelopen maanden hard naartoe gewerkt hebben: onze versie van Maria Goos’ toneelstuk Familie. En ik ben zenuwachtig.

Natuurlijk voel ik bij ieder nieuw theaterproject dat ik geleerd heb van eerdere voorstellingen.  Spelen met intentie, niet te veel en niet te weinig doen, mijn teksten ‘terloops’ spelen in plaats van ‘gewichtig’ – ik leer elke keer bij. Wat steeds terugkeert, is het gevoel alles voor het eerst te doen.

Niet verwonderlijk, want ik speel dit stuk voor het eerst.

Het gevoel is alleen nog nooit zo heftig geweest als nu. Over mijn rol zal ik nog niets verraden, maar de wetenschap dat mijn non-verbale spel minstens zo belangrijk zal zijn als mijn tekst, tja… dat vind ik het moeilijkst. Ook met leegte en stilte moet je als acteur kunnen dealen.

Hoe ik dat ga doen? Kom het aanstaande zondag en maandag aanschouwen in De Lindenberg te Nijmegen… en vind er wat van. Of vind er niets van. Leun lekker achterover en onderga het.

En hoe ik ernaartoe leef? Houd mijn pagina deze week in de gaten. Ik weet nog niet wat ik ga vertellen, maar ik schrijf wel dagelijks iets. Misschien raak je wel benieuwd naar de voorstelling. Misschien ook niet. Dan heb ik je in ieder geval deelgenoot gemaakt van een fraaie making-of.

Levensechte komedie: mijn ode aan ‘Het zonnetje in huis’

Goede komedie staat of valt met het realiteitsgehalte ervan. Het gaat niet om het maken van een grap, het gaat om situaties en menselijke relaties die op zichzelf voor een lach kunnen zorgen. Het gaat niet uitsluitend om de lach, het gaat om alle emoties die teweeggebracht kunnen worden. Het gaat niet om overdrijving, het gaat om geloofwaardig spel. Liefst tegen serieus drama aan schurend, voorzien van een zwart randje. Komedie die de grens opzoekt, net als in het echte leven.

In Nederland is dergelijke komedie dun gezaaid. De enige, als zodanig bedoelde komedieserie die wat mij betreft compleet aan bovenstaande criteria voldoet, is, ook vijftien jaar na beëindiging, Het zonnetje in huis. Niks boerenkoolgezin, zoals in Kees & co, Aaf en Kinderen geen bezwaar. Niks Hollandse kneuterigheid, zoals in ’t Schaep, Zeg ‘ns aaa en Vrienden voor het leven. Niks gemaakte gezelligheid: Het zonnetje in huis laat zien hoe meedogenloos mensen met elkaar om kunnen gaan en hoe dicht de lach en de traan bij elkaar liggen. Om een ontelbaar aantal redenen, maar vooral vanwege de ijzersterke scripts van Ger Apeldoorn en Harm Edens en vanwege het onovertroffen acteerwerk van Martine Bijl en vader en zoon Kraaijkamp, is Het zonnetje in huis ook nu nog mijn favoriete komedie aller tijden.

Na het overlijden van zijn dominante vrouw Agnetha, is Piet Bovenkerk (John Kraaijkamp sr.) na een veertigjarig schrikbewind weer een gelukkige vrijgezel. Al direct na de begrafenis treffen we hem rokend (‘de eerste in veertig jaar’) en drinkend bij de koffietafel, verlost van zijn ‘zwaar onderdonderde’ leven in Harderwijk, dan al verwensingen roepend jegens zijn zopas begraven eega: ‘Laten we hopen dat ze de aarde goed hebben aangestampt’. Het duurt niet lang, of pa Bovenkerk staat mét koffer bij zijn zoon Erik (John Kraaijkamp jr.) en diens vrouw Catharina (Martine Bijl) voor de deur. Hij is zeker niet van plan het Amsterdamse appartement van zoonlief en schoondochter weer te verruilen voor zijn oude woning in Harderwijk. Wat volgt, zijn tien jaren van ongemakkelijke, hilarische situaties in huize Bovenkerk. De spil is de eeuwige vete tussen Piet en ‘Cath’: ze kunnen niet met en niet zonder elkaar. En Erik? Die vormt de eeuwige bemiddelaar tussen de twee.

De eerste seizoenen van Het zonnetje in huis waren rechtstreekse vertalingen van de oorspronkelijk Britse sitcom Tom, Dick and Harriet en doen wellicht daarom wat karikaturaal en overdreven aan. We zien Piet het huishouden van zijn zoon en schoondochter volledig op zijn kop zetten. Zo kookt hij een onmenselijke portie veel te hete nasi waarbij de keuken bepaald niet ongeschonden blijft, solliciteert hij naar de functie van nachtwaker bij een werkgever met een Duits accent (de afloop laat zich raden), organiseert hij kaartavondjes met vrienden die resulteren in brandgaten in het tapijt en neemt hij rijles bij zijn eigen zoon, de auto vrijwel meteen in de plomp rijdend. Niet dat Piet zich ook maar enigszins verantwoordelijk voelt: hij heeft zich voorgenomen te gaan leven en is enkel tevreden met ‘gokken, drank en lekkere wijven’.

Vanaf het tweede seizoen krijgt de stamkroeg van Piet, ‘Café Vijf Bier’, een meer prominente plaats in de serie. Laat ik eerlijk zijn: zonder de caféscènes was Het zonnetje in huis niet compleet geweest. In de loop der jaren hebben verschillende vrienden van Piet plaatsgenomen aan de stamtafel. De serieuze, vrekkige en aan een behoorlijk minderwaardigheidscomplex lijdende Fred (Pieter Lutz) was van begin tot eind van de serie de ideale tegenpool voor grappenmaker Piet. De derde persoon aan tafel hield het om diverse redenen minder lang uit. Aanvankelijk vormde Bert (Sacco van der Made), een soort zwerver die allerlei spullen bij het grofvuil vond die hij naar eigen zeggen nog wel kon gebruiken (‘Wat sommige mensen niet allemaal weggooien!’), het ideale driespan met Piet en Fred. Helaas overleed deze acteur in 1997, waardoor de in mijn ogen meest hilarische bijrol van de serie wegviel. Ook maakte, ongeveer gelijktijdig, de barman Kees (Fred Velle) plaats voor diens ex-vrouw Connie (Dana Dool). Ter vervanging van Bert nam Hella (Ella Snoep), de moeder van Connie, plaats aan tafel. Een volledig andere dynamiek was het resultaat, maar wel één die (net als de vorige) goed werkte. Na een paar seizoenen vond ‘wereldreizigster’ Hella de liefde bij de eigenaar van een koffieplantage. Korte tijd vervulde taxichauffeur Dré (Huib Broos) de rol van derde stamgast, om in de laatste twee seizoenen plaats te maken voor Walter (Hero Muller). In het allerlaatste seizoen had ook barvrouw Connie het café verlaten en nam haar zus Hannie (Marjolijn Touw) de toog over. Vele wisselingen, niet alle even memorabel, maar één ding is zeker: er zijn een hoop mooie scènes gespeeld in Café Vijf Bier.

Het karikaturale van Het zonnetje in huis verdween geleidelijk. Met de intrede van Sacco van der Made en Fred Velle in seizoen twee raakte de vorm al meer uitgebalanceerd: de twee hoofdlocaties (het huis van de familie Bovenkerk en het café) verschenen elk ongeveer even vaak in één aflevering. Ook waren er al minder overdreven huishoudelijke situaties rond Piet nodig om het gewenste effect te bereiken. Alleen al in de bizarre driehoeksverhouding tussen vader, zoon en schoondochter school genoeg hilariteit. Opvallend is wel dat er in de seizoenen met het driespan Piet-Fred-Bert nog erg op de lach gemikt werd (drie oude heren bij elkaar zorgt wellicht ook voor de grootste meligheid), ook met betrekking tot het leven van Erik en Cath. Prominent aanwezig bijvoorbeeld waren hun werkgevers: de ijdele, zelfzuchtige en whiskydrinkende JP (Edmond Classen), directeur van het reclamebureau waar Erik werkte, en de gewetenloze, op mannen jagende Marjan (Mariëlle Fiolet), hoofdredactrice van het tijdschrift Femina, waar Cath voor schreef. Grotere archetypes waren niet denkbaar. Het was dan ook een goede stap van de schrijvers om Erik vanaf het derde seizoen zijn eigen zaak te laten beginnen en Cath langzaamaan een functie in het bedrijf van haar man te geven.

Hoewel Sacco van der Made met zijn overlijden een onopvulbare leegte achterliet aan de stamtafel van Het zonnetje in huis, vormden de seizoenen met Ella en Connie wat mij betreft het dramatische hoogtepunt van de serie. De lach en de traan kwamen precies zo dicht bij elkaar als zou moeten. Meerdere malen werd de slechte relatie tussen moeder en dochter op pijnlijke, soms pijnlijk grappige en daarom goede manier weergegeven.

Nooit vergeet ik de scène waarin Hella het café binnenkomt, niet naar haar dochter kijkt en toch zegt: ‘Connie, goh, ik moet zeggen kind: wat zit jouw haar leuk vandaag.’ Vervolgens draait ze haar verkrampt vriendelijke gezicht alsnog richting Connie en maakt haar opgeplakte glimlach meteen plaats voor een sombere, hangende mond. Waarop Connie met haar eeuwig Rotterdamse tongval zegt: ‘Ma, gaat lekker naar Artis en zegt dat tegen de ijsberen, ja!’

In deze seizoenen zitten, niet geheel verbazingwekkend, ook mijn favoriete afleveringen verstopt. Zo is er de aflevering ‘Bedankt, lieve ouwe’, die zich geheel afspeelt in huize Bovenkerk gedurende een bloedhete nacht. Cath en Erik komen ruziënd thuis van een prijsuitreiking: Erik heeft de Gouden Ganzenveer gewonnen en heeft Cath niet bedankt in zijn speech. Het kost de twee nog heel wat gesprekken, verwijten en kortsluiting om elkaar weer te vinden. Ondertussen lijkt Piet geobsedeerd te zijn door de rouwadvertenties in de krant en vraagt hij herhaaldelijk aan Erik hoe diens speech eruit zou zien op zijn begrafenis. De verklaring voor Piets bui blijkt te schuilen in het feit dat zijn vader is gestorven in een nacht die net zo heet was als de nacht waar ze zich nu in bevinden. Een indrukwekkend detail is dat John Kraaijkamp jr. deze aflevering later heeft betiteld als zijn meest dierbare: hij verwees er zelfs nog naar toen hij in 2011 daadwerkelijk zijn herdenkingsspeech hield.

Met stip op één staat echter de aflevering ‘Zo vader, zo niet’. Een jonge vrouw, Mary-Lou, komt stage lopen op het reclamebureau van Erik, maar deze stage is slechts een excuus: Eriks kantoor bevindt zich recht boven het café, en één van de stamgasten van het café is Fred, van wie Mary-Lou vermoedt dat hij haar vader is. Ze zoekt toenadering tot hem. Fred wil in eerste instantie niets van haar weten, omdat hij denkt dat ze op zijn geld uit is. Vervolgens vertelt hij aan zijn vrienden een ontroerend verhaal over zijn tijd als bibliothecaris tijdens de Boekenweek van 1974: hij werkte samen met een vrouwelijke collega, Isabel, en op de avond dat Simon Carmiggelt in de bibliotheek kwam voorlezen, ontstond er een eenmalige romance tussen de twee. Volgens Fred moet hij zijn dochter toen wel onbewust hebben verwekt. Zo mooi blijkt het niet: in de scène dat Fred en Mary-Lou officieel vieren dat ze vader en dochter zijn, komt Fred er via een boek en een medaillon achter dat niet hij, maar een andere man de vader van Mary-Lou is. Het moment waarop de twee vervolgens afscheid van elkaar nemen in het café, is tranentrekkend:

FRED:                      ‘Mary-Lou. Kom je nog eens langs?’

MARY-LOU:         ‘Tuurlijk… en als ik mijn echte vader vind, hoop ik dat hij net zo lief is

als jij.’

Mary-Lou verlaat het café, er worden nog wat opmerkingen tussendoor gemaakt.

PIET (tegen Fred): ‘Kinderen… voor je het weet ben je ze kwijt.’ *klopt hem op zijn arm*

Conny staat te huilen achter de bar.

HELLA (kil):           ‘Wat zie ik nou…? Conny, moet jij huilen?’

CONNIE (snikt):     ‘Ja… zo ben ik dan ook wel weer hè!’

Alles wat Het zonnetje in huis voor mij zo goed maakt, komt samen in deze aflevering en in deze scène: de complexiteit van relaties tussen ouders en kinderen, tussen familieleden an sich, tussen vrienden, tussen alle mensen. Ondanks het feit dat Piet zijn beste vriend steunt om het ‘verlies’ van zijn dochter, kan hij het niet nalaten te doen wat hij altijd doet: de situatie belachelijk maken en de grens keihard opzoeken. Hij vraagt aan Fred wat hij zou zeggen als Mary-Lou echt zijn dochter was geweest. Fred: ‘Ik hou van je.’ Piet (die daarop doet alsof hij Freds dochter is): ‘Zeg dat dan tegen mij!’ Fred (tegen Piet): ‘Ik hou van je.’ Piet: ‘Van mij?!’ Fred: ‘Nee, van m’n dochter!’ Piet: ‘Je hébt helemaal geen dochter!’

Zo kan ik nog vele afleveringen van A tot Z uittekenen. Ik noem ten slotte het drieluik met Adèle Bloemendaal, dat bedoeld was als het einde van Het zonnetje, omdat zij, in de rol van Gabriëla, Piet mee naar Spanje nam (de rest is geschiedenis: er kwamen nog twee seizoenen). De ‘slotaflevering’ was mooi opgezet: een afscheidsfeest voor Piet, besloten met een ontroerend lied van Cath en, voor het eerst, het in-beeld-verschijnen van Arnoudje, het zoontje van Cath en Erik.

Het zonnetje in huis is komedie, maar wel levensechte komedie. Deze serie heeft er mede toe bijgedragen dat ik me nu nog elke dag realiseer dat de kwaliteit van relaties tussen mensen, of dat nu familieleden, vrienden of kennissen zijn, vooral blijkt uit wat er niet gezegd wordt, maar wat er wel is. Als acteurs dat over kunnen brengen, tja… dat is toch heel waardevol.

Acteren. Of: hoe de blanke bolster een rauw randje kreeg

Afgelopen woensdagavond ging ik weer naar het mij inmiddels bekende cultureel centrum in Nijmegen om, na een flinke zomerstop, te beginnen aan een nieuw seizoen toneelspelen. We waren met een (erg) kleine groep – te klein om deze ‘cursus’ (ik noem het liever ‘productie’) door te laten gaan. Wordt vervolgd. Dat nam het plezier echter bepaald niet weg. Hoe fijn was het om me weer over te kunnen geven aan de speelvloer, de kleine aanwijzingen voor geïmproviseerde scènes en de ambiance van een theater. Hoewel ik een fantastische baan als docent heb, waarin ik veel van mezelf kwijt kan, zal ik het acteren nooit opgeven. Waarom eigenlijk niet?

Het is nog niet eens zo lang geleden dat ik het toneelspelen heb ontdekt. Op het podium heb ik altijd al graag gestaan. Het begon met de zogeheten ‘voorspeelavonden’ gedurende de jaren dat ik keyboardlessen volgde, tussen mijn twaalfde en mijn negentiende. Toen ik rond mijn zestiende in een aan de muziekschool verbonden bandje speelde, zong ik incidenteel enkele nummers zelf mee. Dat mondde langzaam uit in solozangoptredens bij diverse gelegenheden, variërend van het jaarlijkse kerstconcert op mijn middelbare school tot de aldaar jaarlijks georganiseerde theateravond. Op laatstgenoemd evenement bleef het niet bij zang: fan als ik was van cabaretiers als Hans Teeuwen en Bert Visscher, schreef ik tot twee keer toe mijn eigen cabareteske sketch van ongeveer vijftien minuten, natuurlijk gecombineerd met een liedje. Voor mij was het hek van de dam. Ook al was ik een broekie van zeventien dat nog niet van voren wist dat hij van achteren leefde, ik wist dat het podium altijd een rol zou blijven spelen.

Dat heeft het tot nu toe ook gedaan: mijn liefde voor zang mondde uit in deelname aan meerdere musicals, en via musical heb ik het spelen ontdekt. Ik verhuisde van het vertrouwde Brabantse dorpje naar de studiestad waar ik nu nog altijd woon en zette mijn theateractiviteiten voort. Langzaamaan verschoof het accent naar toneelspelen. Het eerste echte project, in 2012, was een samenraapsel van bestaande theaterscènes, waarvan ik me vooral de verbitterde monoloog van Risjaar Modderfokker den Derde (bewerking van Shakespeares Richard III door Tom Lanoye) nog herinner. Dat samenraapsel droeg de titel ‘What happened to Coby?’ – genoemd naar een van de speelsters die oorspronkelijk in de theatergroep zat en ineens niet meer kwam – na ruim vijf jaar hebben we nog altijd niets van haar vernomen. In 2013 volgde de ontdekking van het improvisatietheater: een goede les in ‘uit het hoofd komen’ en op het moment vertrouwen. In de jaren erna heb ik de o-zo gezellige oom Paul gespeeld in een stuk over familiegeheimen en ouder worden (‘Van je helaholagefeliciflapstaart en zo meer, ha ha ha haaaaaaa!’), gaf ik gestalte aan een oude en een jonge man in een openluchtproject over mensen die altijd onderweg zijn, was ik de meest mislukte bruidegom die je je maar kon voorstellen (al bleef hij volhouden dat hij wel degelijk gelukt was) in een bruiloftsstuk en vluchtte ik voor het stijgende water in de Ooijpolder. En nu, aan het begin van een nieuw seizoen, bereid ik me voor op een grote, tekstrijke rol bij een theatergroep bestaand uit leeftijdsgenoten. Ik ben nog lang niet uitgespeeld.

Wat is toch die noodzaak van dat spelen? Ook al speel ik niet beroepshalve, alle clichés zijn mij bekend en hebben me wel eens aan het denken gezet: acteurs zijn neuroten, acteurs zijn onzeker, acteurs zijn verlegen in het echte leven, acteurs plaatsen zichzelf op een voetstuk en vinden dat ze navenant behandeld dienen te worden, acteurs weten het altijd beter dan de regisseur… eigenlijk heel moeilijke mensen.

Ik bestempel mezelf niet als moeilijk. Ook dat voetstuk staat hooguit enkele millimeters boven de grond. Onzekerheid en verlegenheid zijn me dan weer niet vreemd. Die twee eigenschappen, gecombineerd met een neiging tot (te) veel nadenken, vormen voor mij de ideale drijfveer om te acteren. Immers, dan móet ik wel op intuïtie handelen, dan móet ik wel op het moment vertrouwen, dan verken ik ‘doelgericht’ verschillende kleuren van mijn palet aan emoties. Als dat allemaal niet zo van nature gaat in het echte leven, is het heerlijk om te merken dat het er wél inzit. Acteren is voor mij allesbehalve mezelf verschuilen achter een personage, het werkt andersom: ik voel waar een bepaalde kleur of emotie bij mezelf zit, ook al (her)ken ik die nog niet uit het dagelijks leven, en breng die vervolgens naar de rol die ik speel. De grootste les die ik de afgelopen jaren geleerd heb is dat acteren niet ‘spelen’ of ‘doen alsof’ is, maar ‘geloven’ en ‘zijn’. Als ik geloof dat ik een dronken, verbitterde man met een rauw randje ben, dan word ik ook een dronken, verbitterde man met een rauw randje. En niet alleen dat: ik krijg ook begrip voor die man.

Acteren is voor mij dus een verrijking van mijn leven: het vergroot mijn gevoelsleven, mijn empathisch vermogen en mijn referentiekader. Dat er nog vele rauwe randjes mogen volgen.

Ik geef les in een pretvak. Dankzij een pretstudie.

Weinigen zal de discussie rond de zogenoemde pretstudies op Radio 1 van zondag 20 augustus jl. zijn ontgaan. Aanleiding voor de discussie was een uitspraak van VVD-kamerlid Pieter Duisenberg: pretstudies moeten worden geschrapt, omdat studenten daarmee te weinig perspectief hebben op een baan. Afgelopen zaterdag reageerde columniste Aleid Truijens op deze discussie middels een sympathiek betoog in De Volkskrant, waarin ze concludeert dat iedereen vooral moet doen waar hij goed in is. Ik kan het hier alleen maar volmondig mee eens zijn. Met name Truijens’ argument dat niets zo onvoorspelbaar is als toekomstig werk, raakt voor mij de kern. Kijk alleen al naar de golfbeweging in het basisonderwijs gedurende de laatste jaren.

Wat mij vooral verbaast, is de door de VVD min of meer afgedwongen fixatie op baanperspectief, met als gevolg dat er studenten zijn die daar klakkeloos in mee lijken te gaan, al dan niet aangestuurd door ouders die roepen dat ‘pretstudies’ van hun belastinggeld worden betaald. Wellicht is deze verbazing gespeend van enige nuance, maar ik maak me kwaad om iets wat ik al veel langer meen te bespeuren en wat breder is dan die hele discussie over pretstudies en baanperspectief: de almaar toenemende prestatiecultuur. Een directe relatie tussen de twee elementen kan ik vooralsnog niet aantonen, maar ik meen dat een dergelijke cultuur en het perspectief op een goede baan wel degelijk in elkaars verlengde liggen. ‘Volg vooral het hoogste niveau in het voortgezet onderwijs, haal vooral tienen, kies vooral het profiel dat de grootste kans op toegang tot die en die opleiding biedt, ga die opleiding vooral doen en ga vooral veel geld verdienen.’ Zo. Mag het nóg een onsje meer zijn?

Terug naar de term ‘pretstudie’. Niet alleen ben ik het met Truijens eens dat deze term niks betekent; ik wil ‘m eigenlijk volledig verwerpen. En wel om de doodsimpele reden dat iedere studie inspanning, toewijding en plezier vraagt van de student. Dat heeft niets te maken met de arbeidsintensiteit van een studie; het heeft te maken met ‘achter je studiekeuze staan als persoon’, ‘doen wat bij je past’ en ‘je realiseren dat ergens willen komen in vrijwel alle gevallen ‘gewoon’ hard werken betekent’. Het is nooit alleen maar ‘pret’.

Om in de terminologie van Duisenberg te blijven: ik heb een pretstudie gevolgd, want een talenstudie. En waar heeft het toe geleid? Dat ik lesgeef in een pretvak. Maar wel een verdomd mooi pretvak, waarbij ik mezelf prevaleer boven welk baanperspectief of welke inkomensverwachting dan ook.

(Studie)wijzer?

Nu de laatste week van de zomervakantie is aangebroken, tref ik de eerste voorbereidingen voor het nieuwe schooljaar. Weliswaar zijn er fanatiekere collega-docenten die al eerder beginnen – ik heb er bewust voor gekozen dat niet te doen. Juist omdat het voor een perfectionist als ik een behoorlijke opgave is om los te laten. Zou ik mezelf dan eindelijk in acht hebben genomen?

Hoe dan ook: inmiddels kriebelt het weer. Er zijn vele momenten waarop ik nieuwsgierig ben naar de groepen leerlingen die ik nu weer mag lesgeven; een aantal van hen ken ik al, vele ook nog niet. Dat maakt dat de voorbereidingen díe ik tref, nog tamelijk abstract voelen. Alles komt pas tot leven zodra ik de leerlingen zie. Het weerhoudt me er niet van al een behoorlijk eind vooruit te werken: de eerste belangrijke data van de komende maanden zijn genoteerd in de agenda, de studiewijzers van de eerste tienwekelijkse periode zijn gemaakt. Dat laatste vind ik, hoe gek het ook klinkt, behoorlijk spannend.

Niet eens zozeer omdat er gedurende het schooljaar altijd aanpassingen worden gedaan – dat hoort erbij. Wel vanwege de eerder genoemde abstractie. Hoe prettig het ook is om een planning achter de hand te hebben die niet alleen mijzelf, maar ook leerlingen structuur biedt, de gekozen weekindeling en opdrachten roepen altijd vragen op. Gaat de geselecteerde lesstof juist die klassen op effectieve wijze bij het einddoel brengen? Heb ik te veel opdrachten geselecteerd, of te weinig? Is die oefening eigenlijk niet overbodig? Toets ik niet te veel? Hoe ging dat vorig jaar? Kan ik me überhaupt op een eerder schooljaar baseren? Immers, de ene lichting is de andere niet.

Zeker kan ik nooit zijn. Wijzer word ik wel. Toch begin ik ieder jaar opnieuw en maak ik een studiewijzer. Elk wiel dat ik bij de waan van de dag niet opnieuw hoef uit te vinden, is er weer één. Beter gezegd: door het oude wiel vóór te zijn, creëer ik ruimte voor nieuwe wielen.

Een goed schooljaar gewenst!

Dertig – Je verwacht het niet (2)

Laat maar komen, dat getal. Tja.

Een kleine twee maanden geleden besloot ik mijn ‘beschouwing’ van het bijna-dertigerschap met die vijf optimistisch klinkende woorden. Terecht? Voor een deel. Ergens wringt het.

Zoals zovelen zet ik optimisme in als strategie om te overleven. Ik geloof oprecht dat een positieve grondhouding kan leiden tot een gelukkig leven. Echter.

Kijkend naar mijn vorige bijdrage op Zondagsschrijver en naar mijn vele facebookposts valt het me op dat de positiviteit zegeviert. Ook in mijn dagelijks leven buiten social media betrap ik mezelf erop steeds weer uit te gaan van het goede. Dát wringt. Maar waarom wringt het?

Deels omdat mijn geweten me vaak influistert dat ik, nu ik bijna dertig ben, wel beter moet weten. ‘De wereld is geen speeltuin’. ‘Niemand zit op jou te wachten’. ‘Als je niets doet, gebeurt er ook niets’. ‘Niemand heeft ooit gezegd dat het makkelijk zou zijn’. ‘No pain, no gain’. ‘Je bent intussen zo vaak op je bek gegaan dat je kinderlijke onbevangenheid stuitend is’. Allemaal waar, allemaal vertekend, allemaal belemmerend, allemaal mezelf met beide benen op de grond houdend.

De andere reden heeft alles te maken met (ja hoor, daar zijn ze weer) verwachtingen. Meer nog met relaties, waarover ik nog niet eerder schreef. Ik noem deze twee tezamen omdat ze in mijn ogen alles met elkaar te maken hebben. Zo sterk ik ‘verwachtingen’ bagatelliseerde in mijn vorige stuk, zo hevig bepalend blijken ze voor mij in werkelijkheid. De ene keer denk ik aan (vaak zelf ingevulde) verwachtingen te moeten voldoen om een relatie goed te houden. Dan weer ben ik ervan overtuigd dat het allemaal niet uitmaakt.

De kern van mijn beleving omtrent verwachtingen en relaties is deze: men kan mij nóg zo vaak zeggen dat het vooral belangrijk is aan de eigen verwachtingen te voldoen en niet zozeer anderen te pleasen – ik gelóóf dat (nog) niet. Verwachtingen zijn namelijk impliciet. Schijt hebben aan anderen en aan hun verwachtingen, dames en heren, is voor mij vooralsnog een pose. Een pose die niet alleen ik aanneem – ook vele anderen. We wíllen wel schijt hebben, we wíllen wel loslaten, maar we kúnnen het niet. Nogmaals: mijn beleving.

Om de link van bovengenoemde twee redenen met optimisme duidelijk te maken: het is moeilijk om in alle situaties, met betrekking tot alle verwachtingen en relaties, optimistisch te blijven. Ik heb nieuwe relaties (in de breedste zin van het woord) zien komen en (inmiddels) oude relaties zien gaan. Sommige relaties zijn exact hetzelfde gebleven. Andere relaties hebben standgehouden, maar zijn veranderd, ten goede of ten kwade. Of ik het er nu mee eens ben of niet. Weer andere relaties zijn, na kortere of langere onderbreking, tot mijn vreugde hervat.

Ik heb gezien dat ik niet op alles invloed kan uitoefenen. Ik heb ook gezien dat de meeste veranderingen in relaties gevolg zijn geweest van verwachtingen, waaraan de ander of ikzelf niet heb voldaan of heb kunnen voldoen. Ik hoor mijn geweten, dat me herinnert aan negatieve ervaringen die me blijkbaar een les hebben moeten leren.

En met al die reserves leef ik, bijna-dertiger, verhard door wat geweest is maar met goede hoop voor de toekomst, vanuit optimisme.

Dit blog is eerder gepubliceerd op de facebookpagina Zondagsschrijver, d.d. 4 juni 2017.