Ik geef les in een pretvak. Dankzij een pretstudie.

Weinigen zal de discussie rond de zogenoemde pretstudies op Radio 1 van zondag 20 augustus jl. zijn ontgaan. Aanleiding voor de discussie was een uitspraak van VVD-kamerlid Pieter Duisenberg: pretstudies moeten worden geschrapt, omdat studenten daarmee te weinig perspectief hebben op een baan. Afgelopen zaterdag reageerde columniste Aleid Truijens op deze discussie middels een sympathiek betoog in De Volkskrant, waarin ze concludeert dat iedereen vooral moet doen waar hij goed in is. Ik kan het hier alleen maar volmondig mee eens zijn. Met name Truijens’ argument dat niets zo onvoorspelbaar is als toekomstig werk, raakt voor mij de kern. Kijk alleen al naar de golfbeweging in het basisonderwijs gedurende de laatste jaren.

Wat mij vooral verbaast, is de door de VVD min of meer afgedwongen fixatie op baanperspectief, met als gevolg dat er studenten zijn die daar klakkeloos in mee lijken te gaan, al dan niet aangestuurd door ouders die roepen dat ‘pretstudies’ van hun belastinggeld worden betaald. Wellicht is deze verbazing gespeend van enige nuance, maar ik maak me kwaad om iets wat ik al veel langer meen te bespeuren en wat breder is dan die hele discussie over pretstudies en baanperspectief: de almaar toenemende prestatiecultuur. Een directe relatie tussen de twee elementen kan ik vooralsnog niet aantonen, maar ik meen dat een dergelijke cultuur en het perspectief op een goede baan wel degelijk in elkaars verlengde liggen. ‘Volg vooral het hoogste niveau in het voortgezet onderwijs, haal vooral tienen, kies vooral het profiel dat de grootste kans op toegang tot die en die opleiding biedt, ga die opleiding vooral doen en ga vooral veel geld verdienen.’ Zo. Mag het nóg een onsje meer zijn?

Terug naar de term ‘pretstudie’. Niet alleen ben ik het met Truijens eens dat deze term niks betekent; ik wil ‘m eigenlijk volledig verwerpen. En wel om de doodsimpele reden dat iedere studie inspanning, toewijding en plezier vraagt van de student. Dat heeft niets te maken met de arbeidsintensiteit van een studie; het heeft te maken met ‘achter je studiekeuze staan als persoon’, ‘doen wat bij je past’ en ‘je realiseren dat ergens willen komen in vrijwel alle gevallen ‘gewoon’ hard werken betekent’. Het is nooit alleen maar ‘pret’.

Om in de terminologie van Duisenberg te blijven: ik heb een pretstudie gevolgd, want een talenstudie. En waar heeft het toe geleid? Dat ik lesgeef in een pretvak. Maar wel een verdomd mooi pretvak, waarbij ik mezelf prevaleer boven welk baanperspectief of welke inkomensverwachting dan ook.

(Studie)wijzer?

Nu de laatste week van de zomervakantie is aangebroken, tref ik de eerste voorbereidingen voor het nieuwe schooljaar. Weliswaar zijn er fanatiekere collega-docenten die al eerder beginnen – ik heb er bewust voor gekozen dat niet te doen. Juist omdat het voor een perfectionist als ik een behoorlijke opgave is om los te laten. Zou ik mezelf dan eindelijk in acht hebben genomen?

Hoe dan ook: inmiddels kriebelt het weer. Er zijn vele momenten waarop ik nieuwsgierig ben naar de groepen leerlingen die ik nu weer mag lesgeven; een aantal van hen ken ik al, vele ook nog niet. Dat maakt dat de voorbereidingen díe ik tref, nog tamelijk abstract voelen. Alles komt pas tot leven zodra ik de leerlingen zie. Het weerhoudt me er niet van al een behoorlijk eind vooruit te werken: de eerste belangrijke data van de komende maanden zijn genoteerd in de agenda, de studiewijzers van de eerste tienwekelijkse periode zijn gemaakt. Dat laatste vind ik, hoe gek het ook klinkt, behoorlijk spannend.

Niet eens zozeer omdat er gedurende het schooljaar altijd aanpassingen worden gedaan – dat hoort erbij. Wel vanwege de eerder genoemde abstractie. Hoe prettig het ook is om een planning achter de hand te hebben die niet alleen mijzelf, maar ook leerlingen structuur biedt, de gekozen weekindeling en opdrachten roepen altijd vragen op. Gaat de geselecteerde lesstof juist die klassen op effectieve wijze bij het einddoel brengen? Heb ik te veel opdrachten geselecteerd, of te weinig? Is die oefening eigenlijk niet overbodig? Toets ik niet te veel? Hoe ging dat vorig jaar? Kan ik me überhaupt op een eerder schooljaar baseren? Immers, de ene lichting is de andere niet.

Zeker kan ik nooit zijn. Wijzer word ik wel. Toch begin ik ieder jaar opnieuw en maak ik een studiewijzer. Elk wiel dat ik bij de waan van de dag niet opnieuw hoef uit te vinden, is er weer één. Beter gezegd: door het oude wiel vóór te zijn, creëer ik ruimte voor nieuwe wielen.

Een goed schooljaar gewenst!