(4) Dubbelrol – Familie, een making-of

Ik heb een dubbelrol. Wie, wat, waar – dat laat ik nog even in het midden tot aan de voorstelling. Maar die dubbelrol vraagt wat. Van mij als speler, maar ook van mij als mens. Iets waar ik nog steeds niet zo heel erg goed in ben: lichtheid.

Voor mensen zoals ik, die geneigd zijn zich op nadrukkelijke wijze te manifesteren zodra er iets van hen wordt verwacht, is lichtheid een grote opgave. Lichtheid is immers lastig te rijmen met de drang overal mijn best voor te doen. Door die drang maak ik mijn spel al gauw ‘te zwaar’, of ‘houterig’, ‘geforceerd’ – you name it, we have it. Gelukkig is daar dan de regisseuse, die de tijd neemt om met mij aan mijn teksten te werken en mij vooral het volgende op het hart drukt: ‘adem’. Breng rust in wat je vertelt. Zorg ervoor dat het publiek de kans krijgt de informatie tot zich te nemen. Zorg voor lucht.

Een tweede aanwijzing die ik krijg, heeft te maken met ‘in een groef zitten’. Ik kies als speler heel snel voor een bepaalde invulling van een rol of tekst en houd die invulling consequent vast – kracht en valkuil tegelijk, want stabiel, maar ook star; want rustig, maar ook statisch. Hoe fijn zou ik het vinden als het mij lukt om, tijdens het hele repetitieproces, een rol of tekst van meerdere kanten te blijven benaderen en dus meerdere dingen uit te proberen. Uit die groef.

Zelfs hier, op deze plek, maak ik me er schuldig aan. Praten in termen van ‘mensen zoals ik’, daarmee creëer ik immers ook een groef. Een hokje. Alsof alles vaststaat.

Hoog tijd om ook in het echte leven een dubbelrol aan te nemen.

(3) Kind-zijn – Familie, een making-of

Deze zonnige woensdag stond, als een van de weinige dagen deze week, niet in het teken van de aankomende productie. Ik besloot vanochtend mijn eerste training voor de Vierdaagse (ja, ik ga ‘m lopen) te houden. De volledige N70-route in de prachtige omgeving van Beek, Ubbergen en Berg en Dal vormde mijn decor. Niet bezig zijn met het theater, niet bezig zijn met mijn teksten, al helemaal niet bezig zijn met mijn werk – het was, in ieder geval een poging tot, volledige overgave.

Een poging, want zelfs wanneer de rustige beekjes, de hoge heuvels en de groene bomen je enige uitzicht vormen, blijkt het nog niet zo gemakkelijk je gedachten uit te zetten. Gedurende een groot deel van de tocht ben ik bezig met wat komen gaat. En nog erger: met wat al geweest is. Niets nodigt meer uit tot overpeinzingen over verleden, heden en toekomst dan een lange wandeling in je eentje. Er is immers niemand die je afleidt, niemand die je dwingt uit je hoofd te komen.

Ja, ik heb tegen wel twintig wandelaars hallo gezegd. Ik heb me gelaafd aan de conversaties op het terras van een bekend pannenkoekenrestaurant. Ik heb me geërgerd aan kleine kinderen, die niet stil kunnen zitten in de bus. Ik heb mijn best gedaan niet in mijn corrigerende docentenrol te vervallen bij het zien van vier puberjongens die, weliswaar in het bijzijn van twee volwassenen, grote takken over hun schouder tillen en daarmee af en toe om zich heen slaan. Ik heb me meteen afgevraagd: wat is dat toch, dat je je rond je dertigste op loopt te winden over dingen die je als kind koud lieten?

En straks, op dat podium, ontkom ik er niet aan. Kind-zijn in de rol van een volwassene. Wellicht speel ik daarom toneel.

(2) Laat de tekst het werk doen – Familie, een making-of

Vanavond kwamen we met de spelers bij elkaar om nog één keer, zonder toezicht van de regisseuse, alle scènes van Familie te repeteren. Zo’n laatste gelegenheid, om nog één keer ‘zoekend’ door het hele stuk heen te gaan, is extra spannend. Voelen we ons senang in onze rol? Weten we hoe we onze teksten moeten spelen? Lukt het ons om de laatste veranderingen, die je nu eenmaal altijd tot het moment van uitvoering nog krijgt doorgespeeld, toe te passen?

Wat meteen opvalt, is dat iedereen anders reageert op last-minute regieaanwijzingen. De een wordt er ongemakkelijk van, omdat hij of zij al een vastomlijnde speelstijl in het stuk heeft ontwikkeld en nu ineens weer nieuwe opdrachten krijgt. De ander vindt het alleen maar prettig, omdat er altijd losse eindjes blijven. Ik ben die ander. Bij elke nieuwe repetitie van een scène ontdek ik weer dingen. Te zwaar spelen is geen optie, want de kracht van het stuk zit hem in de luchtigheid waarmee de tekst, die van zichzelf al heftig genoeg is, wordt gebracht. Niet voor niets neem ik de bij vorige producties verkregen aanwijzing ‘Laat de tekst het werk doen’ ter harte. Te licht, te vrolijk spelen kan ook niet, want dan ligt het gevaar van karikaturaal spel op de loer. Het moet wel geloofwaardig blijven.

De beste benadering van Familie als speler schuilt wat mij betreft in het vertrouwen op de tekst. Bij iedere lezing van het script merk ik des te meer op dat over elke regel is nagedacht. Onder elke zin zit een lading, die ook wel kan worden aangeduid als subtekst. Als het mij lukt, ons lukt, om die subtekst komend weekend voelbaar te maken voor het publiek, dan zijn we wat mij betreft geslaagd in onze opdracht.

(1) Alles voor het eerst – Familie, een making-of

De laatste week voor de voorstelling is aangebroken. Binnen zeven dagen laat ik, met een fijne groep acteurs, aan iedereen die maar wil, zien waar we de afgelopen maanden hard naartoe gewerkt hebben: onze versie van Maria Goos’ toneelstuk Familie. En ik ben zenuwachtig.

Natuurlijk voel ik bij ieder nieuw theaterproject dat ik geleerd heb van eerdere voorstellingen.  Spelen met intentie, niet te veel en niet te weinig doen, mijn teksten ‘terloops’ spelen in plaats van ‘gewichtig’ – ik leer elke keer bij. Wat steeds terugkeert, is het gevoel alles voor het eerst te doen.

Niet verwonderlijk, want ik speel dit stuk voor het eerst.

Het gevoel is alleen nog nooit zo heftig geweest als nu. Over mijn rol zal ik nog niets verraden, maar de wetenschap dat mijn non-verbale spel minstens zo belangrijk zal zijn als mijn tekst, tja… dat vind ik het moeilijkst. Ook met leegte en stilte moet je als acteur kunnen dealen.

Hoe ik dat ga doen? Kom het aanstaande zondag en maandag aanschouwen in De Lindenberg te Nijmegen… en vind er wat van. Of vind er niets van. Leun lekker achterover en onderga het.

En hoe ik ernaartoe leef? Houd mijn pagina deze week in de gaten. Ik weet nog niet wat ik ga vertellen, maar ik schrijf wel dagelijks iets. Misschien raak je wel benieuwd naar de voorstelling. Misschien ook niet. Dan heb ik je in ieder geval deelgenoot gemaakt van een fraaie making-of.

Acteren. Of: hoe de blanke bolster een rauw randje kreeg

Afgelopen woensdagavond ging ik weer naar het mij inmiddels bekende cultureel centrum in Nijmegen om, na een flinke zomerstop, te beginnen aan een nieuw seizoen toneelspelen. We waren met een (erg) kleine groep – te klein om deze ‘cursus’ (ik noem het liever ‘productie’) door te laten gaan. Wordt vervolgd. Dat nam het plezier echter bepaald niet weg. Hoe fijn was het om me weer over te kunnen geven aan de speelvloer, de kleine aanwijzingen voor geïmproviseerde scènes en de ambiance van een theater. Hoewel ik een fantastische baan als docent heb, waarin ik veel van mezelf kwijt kan, zal ik het acteren nooit opgeven. Waarom eigenlijk niet?

Het is nog niet eens zo lang geleden dat ik het toneelspelen heb ontdekt. Op het podium heb ik altijd al graag gestaan. Het begon met de zogeheten ‘voorspeelavonden’ gedurende de jaren dat ik keyboardlessen volgde, tussen mijn twaalfde en mijn negentiende. Toen ik rond mijn zestiende in een aan de muziekschool verbonden bandje speelde, zong ik incidenteel enkele nummers zelf mee. Dat mondde langzaam uit in solozangoptredens bij diverse gelegenheden, variërend van het jaarlijkse kerstconcert op mijn middelbare school tot de aldaar jaarlijks georganiseerde theateravond. Op laatstgenoemd evenement bleef het niet bij zang: fan als ik was van cabaretiers als Hans Teeuwen en Bert Visscher, schreef ik tot twee keer toe mijn eigen cabareteske sketch van ongeveer vijftien minuten, natuurlijk gecombineerd met een liedje. Voor mij was het hek van de dam. Ook al was ik een broekie van zeventien dat nog niet van voren wist dat hij van achteren leefde, ik wist dat het podium altijd een rol zou blijven spelen.

Dat heeft het tot nu toe ook gedaan: mijn liefde voor zang mondde uit in deelname aan meerdere musicals, en via musical heb ik het spelen ontdekt. Ik verhuisde van het vertrouwde Brabantse dorpje naar de studiestad waar ik nu nog altijd woon en zette mijn theateractiviteiten voort. Langzaamaan verschoof het accent naar toneelspelen. Het eerste echte project, in 2012, was een samenraapsel van bestaande theaterscènes, waarvan ik me vooral de verbitterde monoloog van Risjaar Modderfokker den Derde (bewerking van Shakespeares Richard III door Tom Lanoye) nog herinner. Dat samenraapsel droeg de titel ‘What happened to Coby?’ – genoemd naar een van de speelsters die oorspronkelijk in de theatergroep zat en ineens niet meer kwam – na ruim vijf jaar hebben we nog altijd niets van haar vernomen. In 2013 volgde de ontdekking van het improvisatietheater: een goede les in ‘uit het hoofd komen’ en op het moment vertrouwen. In de jaren erna heb ik de o-zo gezellige oom Paul gespeeld in een stuk over familiegeheimen en ouder worden (‘Van je helaholagefeliciflapstaart en zo meer, ha ha ha haaaaaaa!’), gaf ik gestalte aan een oude en een jonge man in een openluchtproject over mensen die altijd onderweg zijn, was ik de meest mislukte bruidegom die je je maar kon voorstellen (al bleef hij volhouden dat hij wel degelijk gelukt was) in een bruiloftsstuk en vluchtte ik voor het stijgende water in de Ooijpolder. En nu, aan het begin van een nieuw seizoen, bereid ik me voor op een grote, tekstrijke rol bij een theatergroep bestaand uit leeftijdsgenoten. Ik ben nog lang niet uitgespeeld.

Wat is toch die noodzaak van dat spelen? Ook al speel ik niet beroepshalve, alle clichés zijn mij bekend en hebben me wel eens aan het denken gezet: acteurs zijn neuroten, acteurs zijn onzeker, acteurs zijn verlegen in het echte leven, acteurs plaatsen zichzelf op een voetstuk en vinden dat ze navenant behandeld dienen te worden, acteurs weten het altijd beter dan de regisseur… eigenlijk heel moeilijke mensen.

Ik bestempel mezelf niet als moeilijk. Ook dat voetstuk staat hooguit enkele millimeters boven de grond. Onzekerheid en verlegenheid zijn me dan weer niet vreemd. Die twee eigenschappen, gecombineerd met een neiging tot (te) veel nadenken, vormen voor mij de ideale drijfveer om te acteren. Immers, dan móet ik wel op intuïtie handelen, dan móet ik wel op het moment vertrouwen, dan verken ik ‘doelgericht’ verschillende kleuren van mijn palet aan emoties. Als dat allemaal niet zo van nature gaat in het echte leven, is het heerlijk om te merken dat het er wél inzit. Acteren is voor mij allesbehalve mezelf verschuilen achter een personage, het werkt andersom: ik voel waar een bepaalde kleur of emotie bij mezelf zit, ook al (her)ken ik die nog niet uit het dagelijks leven, en breng die vervolgens naar de rol die ik speel. De grootste les die ik de afgelopen jaren geleerd heb is dat acteren niet ‘spelen’ of ‘doen alsof’ is, maar ‘geloven’ en ‘zijn’. Als ik geloof dat ik een dronken, verbitterde man met een rauw randje ben, dan word ik ook een dronken, verbitterde man met een rauw randje. En niet alleen dat: ik krijg ook begrip voor die man.

Acteren is voor mij dus een verrijking van mijn leven: het vergroot mijn gevoelsleven, mijn empathisch vermogen en mijn referentiekader. Dat er nog vele rauwe randjes mogen volgen.

Dertig – Je verwacht het niet (2)

Laat maar komen, dat getal. Tja.

Een kleine twee maanden geleden besloot ik mijn ‘beschouwing’ van het bijna-dertigerschap met die vijf optimistisch klinkende woorden. Terecht? Voor een deel. Ergens wringt het.

Zoals zovelen zet ik optimisme in als strategie om te overleven. Ik geloof oprecht dat een positieve grondhouding kan leiden tot een gelukkig leven. Echter.

Kijkend naar mijn vorige bijdrage op Zondagsschrijver en naar mijn vele facebookposts valt het me op dat de positiviteit zegeviert. Ook in mijn dagelijks leven buiten social media betrap ik mezelf erop steeds weer uit te gaan van het goede. Dát wringt. Maar waarom wringt het?

Deels omdat mijn geweten me vaak influistert dat ik, nu ik bijna dertig ben, wel beter moet weten. ‘De wereld is geen speeltuin’. ‘Niemand zit op jou te wachten’. ‘Als je niets doet, gebeurt er ook niets’. ‘Niemand heeft ooit gezegd dat het makkelijk zou zijn’. ‘No pain, no gain’. ‘Je bent intussen zo vaak op je bek gegaan dat je kinderlijke onbevangenheid stuitend is’. Allemaal waar, allemaal vertekend, allemaal belemmerend, allemaal mezelf met beide benen op de grond houdend.

De andere reden heeft alles te maken met (ja hoor, daar zijn ze weer) verwachtingen. Meer nog met relaties, waarover ik nog niet eerder schreef. Ik noem deze twee tezamen omdat ze in mijn ogen alles met elkaar te maken hebben. Zo sterk ik ‘verwachtingen’ bagatelliseerde in mijn vorige stuk, zo hevig bepalend blijken ze voor mij in werkelijkheid. De ene keer denk ik aan (vaak zelf ingevulde) verwachtingen te moeten voldoen om een relatie goed te houden. Dan weer ben ik ervan overtuigd dat het allemaal niet uitmaakt.

De kern van mijn beleving omtrent verwachtingen en relaties is deze: men kan mij nóg zo vaak zeggen dat het vooral belangrijk is aan de eigen verwachtingen te voldoen en niet zozeer anderen te pleasen – ik gelóóf dat (nog) niet. Verwachtingen zijn namelijk impliciet. Schijt hebben aan anderen en aan hun verwachtingen, dames en heren, is voor mij vooralsnog een pose. Een pose die niet alleen ik aanneem – ook vele anderen. We wíllen wel schijt hebben, we wíllen wel loslaten, maar we kúnnen het niet. Nogmaals: mijn beleving.

Om de link van bovengenoemde twee redenen met optimisme duidelijk te maken: het is moeilijk om in alle situaties, met betrekking tot alle verwachtingen en relaties, optimistisch te blijven. Ik heb nieuwe relaties (in de breedste zin van het woord) zien komen en (inmiddels) oude relaties zien gaan. Sommige relaties zijn exact hetzelfde gebleven. Andere relaties hebben standgehouden, maar zijn veranderd, ten goede of ten kwade. Of ik het er nu mee eens ben of niet. Weer andere relaties zijn, na kortere of langere onderbreking, tot mijn vreugde hervat.

Ik heb gezien dat ik niet op alles invloed kan uitoefenen. Ik heb ook gezien dat de meeste veranderingen in relaties gevolg zijn geweest van verwachtingen, waaraan de ander of ikzelf niet heb voldaan of heb kunnen voldoen. Ik hoor mijn geweten, dat me herinnert aan negatieve ervaringen die me blijkbaar een les hebben moeten leren.

En met al die reserves leef ik, bijna-dertiger, verhard door wat geweest is maar met goede hoop voor de toekomst, vanuit optimisme.

Dit blog is eerder gepubliceerd op de facebookpagina Zondagsschrijver, d.d. 4 juni 2017.

Dertig – Je verwacht het niet (1)

Weken heb ik geprobeerd te bedenken vanuit welke invalshoek ik over het dertigersdilemma zou schrijven. En op ieder moment dat ik een ingang gevonden dacht te hebben, realiseerde ik me dat het niet ging werken dit thema vanuit welke bestaande context dan ook te benaderen. Ik zal dus niet schrijven over het boek met de gelijknamige titel. Ook zal ik niet schrijven over Marlijn Weerdenburg, die zichzelf een dolende dertiger noemde. Het dertigersdilemma, voor zover er al van een dilemma te spreken valt, is persoonlijk. Dertig worden, dertig zijn, is persoonlijk. Als er dus al een context moet zijn, is het die van mezelf.

Ik deel de opvatting van velen dat dertig worden slechts een verandering van getal is. Ik deel het cliché dat je zo jong bent als je je voelt – liever nog: dat je zo ver bent als je bent. De vraag waarom er zo veel gewicht lijkt te hangen aan het plaatje van een dertiger – baan, huis, auto, relatie, wellicht een huwelijk en een kersvers gezin – blijft actueel. Dat mensen veel gewicht hangen aan verwachtingen, is evident. Dat men zichzelf vergelijkt met anderen, is evident. De geforceerde poging om vol te houden dat men zich niets aantrekt van verwachtingen of vergelijkingen, is een ontsnappingspoging uit het groepsdenken dat mensen nou eenmaal van nature in zich hebben. Ik zal de laatste zijn om te ontkennen dat ik ook probeer te ontsnappen; paradoxaal genoeg zit het in mijn overtuiging verankerd dat ‘dertig’ een getal is dat verder niets zegt. Mijn eerlijkste benadering van het dertiger-zijn is dan ook dat ik ernaar streef om verwachtingen zo veel mogelijk los te laten, met het in mijn ogen realistische besef dat dat nooit helemaal zal lukken.

Waar sta ik? Ik werk nu vier jaar als leraar in het voortgezet onderwijs en lijk na een fikse zoektocht – met vallen en opstaan – mijn voorlopige plek binnen deze branche te hebben gevonden. Ik bewoon een rijtjeshuis – correctie: ik huur de begane grond inclusief voor- en achtertuin, met verder alle voorzieningen voor mezelf – dat me tot dusver erg bevalt. Ben ik niet aan het werk of met m’n woning bezig, dan zie ik vrienden en familie, of houd ik me bezig met kunst: ik speel toneel, ik heb het stemacteervak verkend, ik schrijf over wat me bezighoudt en als het even kan, speel ik op m’n keyboard, liefst mezelf begeleidend terwijl ik zing. De wens een elektrische piano aan te schaffen, is er. De wens dat er een auto komt, is er. De wens allerlei leuke dingen voor m’n huis te bedenken, is er. En alsof dat allemaal nog niet genoeg is, bekijk ik de komende jaren graag grondig hoe ik mijn passie voor de kunsten kan integreren in mijn werk. Wil ik lessen drama gaan geven? Wil ik mezelf scholen tot docent muziek of theater, naast het vak Nederlands? Wil ik gaan vechten voor klussen als stemacteur?

In bovenstaand verhaal zitten natuurlijk een aantal eerder genoemde verwachtingen verankerd. Lang niet op elk gebied, overigens. Over relaties heb ik het niet gehad, laat staan over een huwelijk of kinderen. En laat ik, enkele maanden voor het dertigerschap, nu heel blij zijn met het feit dat dat allemaal nog niet in beeld is. Niet dat ik het zou tegenhouden. Denk ik. Feit is dat ik mijn eigen wensen, hoe ik mijn leven nu inricht en nog in wil richten, nu beslist niet aan de kant wil zetten voor een gezin. Waarom zou ik ook?

Zo bekeken heb ik geen dilemma. Ik heb hooguit een realistisch besef dat je nooit helemaal buiten verwachtingen kunt leven. Daar kan ‘zelf aan het roer staan’ prima naast bestaan. Laat maar komen, dat getal!

Dit blog is eerder gepubliceerd op de facebookpagina Zondagsschrijver, d.d. 9 april 2017.