Terechte hypes? – Bird Box (2018)

In de categorie ‘Terechte hypes?’ bespreek ik actuele boeken, films of andere verschenen producten waarover veel wordt gepraat, veelal positief. Vind ik het gejubel terecht, of mag er ook wel wat kritischer naar worden gekeken? Vandaag: Bird Box (2018)Let op: spoilers.

Blog 'Bird Box' - afbeelding

Het probleem met hypes is dat ze vaak aan me voorbijgaan. En als ik wél op de hoogte ben, is de hype al zo vaak aangeprezen dat ik mijn interesse meteen verlies. Want: als iedereen het leuk vindt, zal het wel niet echt interessant zijn. Te toegankelijk, te gelikt, te makkelijk. Hoe zit dat met Bird Box, de thriller die sinds 21 december wereldwijd te zien is op Netflix?

De film begint interessant: een moeder, Malorie, vertelt haar kinderen (die ze Boy en Girl noemt) dat ze op een gevaarlijke reis over de rivier zullen gaan. Ze laat er geen gras over groeien in haar toon: de kinderen moeten, net als zijzelf, geblinddoekt blijven. De reden blijft niet lang verhuld: wie zijn blinddoek afdoet, sterft. De wereld wordt geteisterd door ‘demonen’ die ervoor zorgen dat iedereen die hen in de ogen kijkt, gek wordt en op gruwelijke wijze zelfmoord pleegt. Dit mysterie, dat eigenlijk geen mysterie genoemd mag worden, wordt onthuld aan de hand van verschillende flashbacks die duidelijk maken hoe Malorie en haar kinderen in deze situatie gekomen zijn en wie ze tot dan toe al hebben ontmoet. Ook komen we te weten waar de reis over de rivier heen leidt en hoe het lot voor het drietal wordt bezegeld.

Een terugkerende gedachte tijdens het kijken van de film was: het ziet er allemaal heel mooi uit, maar het pakt me niet. Een postapocalyptische wereld, dat hebben we meer gezien. Totale chaos, dat kennen we. Een claustrofobisch gevoel, dat geven wel meer films. Die bijpersonages, die ben ik na een paar dagen vergeten. Er wordt voor mijn gevoel heel veel bijgesleept, vooral wat de bijrollen aangaat. De kijker moet en zal sympathie krijgen voor de andere ‘survivors’ die Malorie ontmoet. En dat lukt niet. De zwangere moederkloek Olympia (Danielle Macdonald) is schattig, maar cliché. De indringende Gary (Tom Hollander) is mysterieus, maar komt niet door het scherm heen. En de vaderfiguur Tom (Trevante Rhodes), die lange tijd als enige overlever met Malorie en haar kinderen overblijft, is een stabiele factor, maar niet diepgaand genoeg.

Twee factoren houden Bird Box overeind: de beelden en Sandra Bullock. Het is indrukwekkend om te zien hoe de hele wereld tot waanzin wordt gedreven door de demonen: de zelfmoorden zijn gruwelijk, maar prachtig in beeld gebracht; de compleet ‘afgedekte’ locaties dragen bij aan het claustrofobische gevoel dat de film teweegbrengt – kortom: visueel is Bird Box perfect gelukt. Daarnaast draagt Bullock de film: zij laat de verschillende lagen van Malorie (die niet eens zo’n gelaagd personage is) goed tot uiting komen en weet, hoewel het even duurt, als enige actrice echt binnen te komen.

Kortom: behoort Bird Box tot de terechte hypes? Enkel als het aankomt op het visuele en op het acteerwerk van Bullock. Oké: ook het aardige einde van de film, dat tenminste nog iets aan interpretatie overlaat, mag apart worden vermeld. Helaas is de hype wat betreft de overige factoren niet terecht: te cliché, te weinig aangrijpend en we worden als kijker te veel aan het handje genomen.

Ik geef les in een pretvak. Dankzij een pretstudie.

Weinigen zal de discussie rond de zogenoemde pretstudies op Radio 1 van zondag 20 augustus jl. zijn ontgaan. Aanleiding voor de discussie was een uitspraak van VVD-kamerlid Pieter Duisenberg: pretstudies moeten worden geschrapt, omdat studenten daarmee te weinig perspectief hebben op een baan. Afgelopen zaterdag reageerde columniste Aleid Truijens op deze discussie middels een sympathiek betoog in De Volkskrant, waarin ze concludeert dat iedereen vooral moet doen waar hij goed in is. Ik kan het hier alleen maar volmondig mee eens zijn. Met name Truijens’ argument dat niets zo onvoorspelbaar is als toekomstig werk, raakt voor mij de kern. Kijk alleen al naar de golfbeweging in het basisonderwijs gedurende de laatste jaren.

Wat mij vooral verbaast, is de door de VVD min of meer afgedwongen fixatie op baanperspectief, met als gevolg dat er studenten zijn die daar klakkeloos in mee lijken te gaan, al dan niet aangestuurd door ouders die roepen dat ‘pretstudies’ van hun belastinggeld worden betaald. Wellicht is deze verbazing gespeend van enige nuance, maar ik maak me kwaad om iets wat ik al veel langer meen te bespeuren en wat breder is dan die hele discussie over pretstudies en baanperspectief: de almaar toenemende prestatiecultuur. Een directe relatie tussen de twee elementen kan ik vooralsnog niet aantonen, maar ik meen dat een dergelijke cultuur en het perspectief op een goede baan wel degelijk in elkaars verlengde liggen. ‘Volg vooral het hoogste niveau in het voortgezet onderwijs, haal vooral tienen, kies vooral het profiel dat de grootste kans op toegang tot die en die opleiding biedt, ga die opleiding vooral doen en ga vooral veel geld verdienen.’ Zo. Mag het nóg een onsje meer zijn?

Terug naar de term ‘pretstudie’. Niet alleen ben ik het met Truijens eens dat deze term niks betekent; ik wil ‘m eigenlijk volledig verwerpen. En wel om de doodsimpele reden dat iedere studie inspanning, toewijding en plezier vraagt van de student. Dat heeft niets te maken met de arbeidsintensiteit van een studie; het heeft te maken met ‘achter je studiekeuze staan als persoon’, ‘doen wat bij je past’ en ‘je realiseren dat ergens willen komen in vrijwel alle gevallen ‘gewoon’ hard werken betekent’. Het is nooit alleen maar ‘pret’.

Om in de terminologie van Duisenberg te blijven: ik heb een pretstudie gevolgd, want een talenstudie. En waar heeft het toe geleid? Dat ik lesgeef in een pretvak. Maar wel een verdomd mooi pretvak, waarbij ik mezelf prevaleer boven welk baanperspectief of welke inkomensverwachting dan ook.