(7) Wat nooit af is en zal zijn – Familie, een making-of

It’s a wrap. Het pak van schoonzoon Koos kan weer in de kast. Het boek van de verteller is gesloten. De dubbelrol is gespeeld.

Enkele dagen na de laatste uitvoering van Familie zijn de eerste prikkels verwerkt. Er zijn drie heel verschillende voorstellingen gespeeld. De laatste was op afstand de fijnste. Ik ging deze derde voorstelling in met een zelfopgelegde opdracht: speel Koos zonder mening, zonder (voor)oordeel, maar neem deze alcoholverslaafde schrijver, deze eenzame schoonzoon, bloedserieus. Omarm hem. Pas wanneer je van je karakter houdt, kan je hem overtuigend neerzetten. En dat is gelukt.

Ik neem afscheid van dit theaterproject met een dubbel gevoel.

Enerzijds ben ik heel trots zo dicht bij een personage te zijn gekomen – dat heb ik nog niet eerder gehad. Ik kon dan ook veel van mezelf kwijt in Koos: de observant, de relativerende opmerkingen, de jongensachtige vreugde omdat ik in het verhaal een vriend had gemaakt en me dus minder eenzaam voelde.

Aan de andere kant heeft deze voorstelling me gedwongen tot een zekere nederigheid ten opzichte van mezelf als speler en, uiteindelijk, als persoon. Voorafgaand aan de laatste speelavond stelde onze regisseuse terecht dat theater draait om imperfectie. Om datgene wat nooit af is en nooit af zal zijn. Daarin zit schoonheid. En precies in dat proces, het accepteren van imperfectie, zit ik. Ik hoop met elk project een betere speler te worden. Elke keer een stapje hoger te kunnen. Maar met de hoop op ‘beter’ en ‘hoger’ ga ik juist voorbij aan de essentie: theater is zoeken. Leren lopen op het toneel, waarover ik al schreef, is zoeken. Het doorvoelen van een personage is het zoeken van de emoties en drijfveren van dat personage in mezelf. Zoeken naar imperfectie. Want Koos is niet perfect. Ik ben niet perfect. Theater is niet perfect. Het leven is niet perfect. What’s new?

Nou, het inzicht dat ik als speler en als mens beter in mijn vel ga zitten door het omarmen van imperfectie, dat is vrij new. En dat er door vertrouwd samenspel mooiere scènes worden gespeeld dan ik ooit van tevoren kan bedenken (zeker een vriendschapsscène in totale dronkenschap in een Zwitserse Stube), tja – dat herinnert me eraan dat je mooi theater vooral samen maakt. Het gaat niet om mij, het gaat om devotie aan wat je maakt en met wie je dat maakt.

Op naar het volgende imperfecte project. Wie doet er met me mee?

(6) In between – Familie, een making-of

Twee voorstellingen gedaan, one to go. Het besef vanavond alweer de laatste te spelen, maakt extra alert. Weer een productie om af te vinken.

Gisteren waren het er dus twee; het verschil in spelenergie was aanzienlijk. Waar we met zijn allen tijdens de eerste voorstelling nog onder hoogspanning stonden, leken we bij de tweede relaxter. Te relaxed, eigenlijk. Een typische tweede. Ik hoorde mezelf sommige zinnen zeggen op een toon waarvan ik dacht: hé, maar wie speel ik ook alweer?

Al met al klaag ik niet. De zaal was beide keren voelbaar aanwezig, onze spelersgroep was grotendeels scherp. En hard. Zoals het een familie in een Zwitsers chalet betaamt.

Nog één keer in het pak van Koos. En daarna: ‘allemaal met een goed boek, bij voorkeur van mij, naar bed.’

(5) Generale – Familie, een making-of

Geen enkele repetitie geeft mij als speler zo’n ongemakkelijk gevoel als de generale. Het komt er nu immers op aan alle handelingen, alle teksten, alle changementen, perfect op elkaar af te stemmen. Sleutelen aan wat nog niet goed zit, blij zijn met wat wel goed zit. Het spelen van een generale is als het inrijden van een lange tunnel, waar geen plaats is voor enige input van buitenaf. De enige die op de passagiersstoel zit, is de regisseuse. Zij heeft het alleenrecht op de beslissing linksaf, rechtsaf of rechtdoor te gaan. En het mooie is: in een tunnel neem je gevoelsmatig alle afslagen die er te nemen zijn, maar kan je alleen rechtdoor.

Bij iedere aanwijzing word ik me pijnlijk bewust van het feit dat het ‘even’ geen moer uitmaakt dat ik al vaker naar een toneelproductie toe heb gewerkt. Het voelt als ‘opnieuw leren lopen’. Letterlijk. De momenten waarop de regisseuse voordoet hoe ik, kennelijk, als een balletdanser het toneel op loop, zijn het meest confronterend. Dat is dus een ingesleten loopje waarvan ik me niet eens meer bewust ben. Waarom loop ik niet gewoon in rechte pas naar mijn plaats toe? Hoe vaak ik vandaag wel niet gedacht heb: shit, ik kan me dus niet eens normaal bewegen op het toneel. Daar ga je dan, met je overtuiging dat je de afgelopen jaren heus wel wat geleerd hebt.

Ik heb van deze generale in ieder geval één heel belangrijke les meegenomen: je begint altijd weer bij nul. Zeker als je jezelf niet vlak voor elke scène even wakker schudt. De mooiste metafoor die ik in dit verband ooit ben tegengekomen, is die van het steentje in je schoen. Zorg dat je jezelf afleidt. Comfort is de dood voor iedere speler.

Nog één dag zonder voorstelling te gaan. Ik ga maar eens een tunnel slopen. Tot de laatste steen.

 

(4) Dubbelrol – Familie, een making-of

Ik heb een dubbelrol. Wie, wat, waar – dat laat ik nog even in het midden tot aan de voorstelling. Maar die dubbelrol vraagt wat. Van mij als speler, maar ook van mij als mens. Iets waar ik nog steeds niet zo heel erg goed in ben: lichtheid.

Voor mensen zoals ik, die geneigd zijn zich op nadrukkelijke wijze te manifesteren zodra er iets van hen wordt verwacht, is lichtheid een grote opgave. Lichtheid is immers lastig te rijmen met de drang overal mijn best voor te doen. Door die drang maak ik mijn spel al gauw ‘te zwaar’, of ‘houterig’, ‘geforceerd’ – you name it, we have it. Gelukkig is daar dan de regisseuse, die de tijd neemt om met mij aan mijn teksten te werken en mij vooral het volgende op het hart drukt: ‘adem’. Breng rust in wat je vertelt. Zorg ervoor dat het publiek de kans krijgt de informatie tot zich te nemen. Zorg voor lucht.

Een tweede aanwijzing die ik krijg, heeft te maken met ‘in een groef zitten’. Ik kies als speler heel snel voor een bepaalde invulling van een rol of tekst en houd die invulling consequent vast – kracht en valkuil tegelijk, want stabiel, maar ook star; want rustig, maar ook statisch. Hoe fijn zou ik het vinden als het mij lukt om, tijdens het hele repetitieproces, een rol of tekst van meerdere kanten te blijven benaderen en dus meerdere dingen uit te proberen. Uit die groef.

Zelfs hier, op deze plek, maak ik me er schuldig aan. Praten in termen van ‘mensen zoals ik’, daarmee creëer ik immers ook een groef. Een hokje. Alsof alles vaststaat.

Hoog tijd om ook in het echte leven een dubbelrol aan te nemen.

(3) Kind-zijn – Familie, een making-of

Deze zonnige woensdag stond, als een van de weinige dagen deze week, niet in het teken van de aankomende productie. Ik besloot vanochtend mijn eerste training voor de Vierdaagse (ja, ik ga ‘m lopen) te houden. De volledige N70-route in de prachtige omgeving van Beek, Ubbergen en Berg en Dal vormde mijn decor. Niet bezig zijn met het theater, niet bezig zijn met mijn teksten, al helemaal niet bezig zijn met mijn werk – het was, in ieder geval een poging tot, volledige overgave.

Een poging, want zelfs wanneer de rustige beekjes, de hoge heuvels en de groene bomen je enige uitzicht vormen, blijkt het nog niet zo gemakkelijk je gedachten uit te zetten. Gedurende een groot deel van de tocht ben ik bezig met wat komen gaat. En nog erger: met wat al geweest is. Niets nodigt meer uit tot overpeinzingen over verleden, heden en toekomst dan een lange wandeling in je eentje. Er is immers niemand die je afleidt, niemand die je dwingt uit je hoofd te komen.

Ja, ik heb tegen wel twintig wandelaars hallo gezegd. Ik heb me gelaafd aan de conversaties op het terras van een bekend pannenkoekenrestaurant. Ik heb me geërgerd aan kleine kinderen, die niet stil kunnen zitten in de bus. Ik heb mijn best gedaan niet in mijn corrigerende docentenrol te vervallen bij het zien van vier puberjongens die, weliswaar in het bijzijn van twee volwassenen, grote takken over hun schouder tillen en daarmee af en toe om zich heen slaan. Ik heb me meteen afgevraagd: wat is dat toch, dat je je rond je dertigste op loopt te winden over dingen die je als kind koud lieten?

En straks, op dat podium, ontkom ik er niet aan. Kind-zijn in de rol van een volwassene. Wellicht speel ik daarom toneel.

(2) Laat de tekst het werk doen – Familie, een making-of

Vanavond kwamen we met de spelers bij elkaar om nog één keer, zonder toezicht van de regisseuse, alle scènes van Familie te repeteren. Zo’n laatste gelegenheid, om nog één keer ‘zoekend’ door het hele stuk heen te gaan, is extra spannend. Voelen we ons senang in onze rol? Weten we hoe we onze teksten moeten spelen? Lukt het ons om de laatste veranderingen, die je nu eenmaal altijd tot het moment van uitvoering nog krijgt doorgespeeld, toe te passen?

Wat meteen opvalt, is dat iedereen anders reageert op last-minute regieaanwijzingen. De een wordt er ongemakkelijk van, omdat hij of zij al een vastomlijnde speelstijl in het stuk heeft ontwikkeld en nu ineens weer nieuwe opdrachten krijgt. De ander vindt het alleen maar prettig, omdat er altijd losse eindjes blijven. Ik ben die ander. Bij elke nieuwe repetitie van een scène ontdek ik weer dingen. Te zwaar spelen is geen optie, want de kracht van het stuk zit hem in de luchtigheid waarmee de tekst, die van zichzelf al heftig genoeg is, wordt gebracht. Niet voor niets neem ik de bij vorige producties verkregen aanwijzing ‘Laat de tekst het werk doen’ ter harte. Te licht, te vrolijk spelen kan ook niet, want dan ligt het gevaar van karikaturaal spel op de loer. Het moet wel geloofwaardig blijven.

De beste benadering van Familie als speler schuilt wat mij betreft in het vertrouwen op de tekst. Bij iedere lezing van het script merk ik des te meer op dat over elke regel is nagedacht. Onder elke zin zit een lading, die ook wel kan worden aangeduid als subtekst. Als het mij lukt, ons lukt, om die subtekst komend weekend voelbaar te maken voor het publiek, dan zijn we wat mij betreft geslaagd in onze opdracht.