Acteren. Of: hoe de blanke bolster een rauw randje kreeg

Afgelopen woensdagavond ging ik weer naar het mij inmiddels bekende cultureel centrum in Nijmegen om, na een flinke zomerstop, te beginnen aan een nieuw seizoen toneelspelen. We waren met een (erg) kleine groep – te klein om deze ‘cursus’ (ik noem het liever ‘productie’) door te laten gaan. Wordt vervolgd. Dat nam het plezier echter bepaald niet weg. Hoe fijn was het om me weer over te kunnen geven aan de speelvloer, de kleine aanwijzingen voor geïmproviseerde scènes en de ambiance van een theater. Hoewel ik een fantastische baan als docent heb, waarin ik veel van mezelf kwijt kan, zal ik het acteren nooit opgeven. Waarom eigenlijk niet?

Het is nog niet eens zo lang geleden dat ik het toneelspelen heb ontdekt. Op het podium heb ik altijd al graag gestaan. Het begon met de zogeheten ‘voorspeelavonden’ gedurende de jaren dat ik keyboardlessen volgde, tussen mijn twaalfde en mijn negentiende. Toen ik rond mijn zestiende in een aan de muziekschool verbonden bandje speelde, zong ik incidenteel enkele nummers zelf mee. Dat mondde langzaam uit in solozangoptredens bij diverse gelegenheden, variërend van het jaarlijkse kerstconcert op mijn middelbare school tot de aldaar jaarlijks georganiseerde theateravond. Op laatstgenoemd evenement bleef het niet bij zang: fan als ik was van cabaretiers als Hans Teeuwen en Bert Visscher, schreef ik tot twee keer toe mijn eigen cabareteske sketch van ongeveer vijftien minuten, natuurlijk gecombineerd met een liedje. Voor mij was het hek van de dam. Ook al was ik een broekie van zeventien dat nog niet van voren wist dat hij van achteren leefde, ik wist dat het podium altijd een rol zou blijven spelen.

Dat heeft het tot nu toe ook gedaan: mijn liefde voor zang mondde uit in deelname aan meerdere musicals, en via musical heb ik het spelen ontdekt. Ik verhuisde van het vertrouwde Brabantse dorpje naar de studiestad waar ik nu nog altijd woon en zette mijn theateractiviteiten voort. Langzaamaan verschoof het accent naar toneelspelen. Het eerste echte project, in 2012, was een samenraapsel van bestaande theaterscènes, waarvan ik me vooral de verbitterde monoloog van Risjaar Modderfokker den Derde (bewerking van Shakespeares Richard III door Tom Lanoye) nog herinner. Dat samenraapsel droeg de titel ‘What happened to Coby?’ – genoemd naar een van de speelsters die oorspronkelijk in de theatergroep zat en ineens niet meer kwam – na ruim vijf jaar hebben we nog altijd niets van haar vernomen. In 2013 volgde de ontdekking van het improvisatietheater: een goede les in ‘uit het hoofd komen’ en op het moment vertrouwen. In de jaren erna heb ik de o-zo gezellige oom Paul gespeeld in een stuk over familiegeheimen en ouder worden (‘Van je helaholagefeliciflapstaart en zo meer, ha ha ha haaaaaaa!’), gaf ik gestalte aan een oude en een jonge man in een openluchtproject over mensen die altijd onderweg zijn, was ik de meest mislukte bruidegom die je je maar kon voorstellen (al bleef hij volhouden dat hij wel degelijk gelukt was) in een bruiloftsstuk en vluchtte ik voor het stijgende water in de Ooijpolder. En nu, aan het begin van een nieuw seizoen, bereid ik me voor op een grote, tekstrijke rol bij een theatergroep bestaand uit leeftijdsgenoten. Ik ben nog lang niet uitgespeeld.

Wat is toch die noodzaak van dat spelen? Ook al speel ik niet beroepshalve, alle clichés zijn mij bekend en hebben me wel eens aan het denken gezet: acteurs zijn neuroten, acteurs zijn onzeker, acteurs zijn verlegen in het echte leven, acteurs plaatsen zichzelf op een voetstuk en vinden dat ze navenant behandeld dienen te worden, acteurs weten het altijd beter dan de regisseur… eigenlijk heel moeilijke mensen.

Ik bestempel mezelf niet als moeilijk. Ook dat voetstuk staat hooguit enkele millimeters boven de grond. Onzekerheid en verlegenheid zijn me dan weer niet vreemd. Die twee eigenschappen, gecombineerd met een neiging tot (te) veel nadenken, vormen voor mij de ideale drijfveer om te acteren. Immers, dan móet ik wel op intuïtie handelen, dan móet ik wel op het moment vertrouwen, dan verken ik ‘doelgericht’ verschillende kleuren van mijn palet aan emoties. Als dat allemaal niet zo van nature gaat in het echte leven, is het heerlijk om te merken dat het er wél inzit. Acteren is voor mij allesbehalve mezelf verschuilen achter een personage, het werkt andersom: ik voel waar een bepaalde kleur of emotie bij mezelf zit, ook al (her)ken ik die nog niet uit het dagelijks leven, en breng die vervolgens naar de rol die ik speel. De grootste les die ik de afgelopen jaren geleerd heb is dat acteren niet ‘spelen’ of ‘doen alsof’ is, maar ‘geloven’ en ‘zijn’. Als ik geloof dat ik een dronken, verbitterde man met een rauw randje ben, dan word ik ook een dronken, verbitterde man met een rauw randje. En niet alleen dat: ik krijg ook begrip voor die man.

Acteren is voor mij dus een verrijking van mijn leven: het vergroot mijn gevoelsleven, mijn empathisch vermogen en mijn referentiekader. Dat er nog vele rauwe randjes mogen volgen.

Een gedachte over “Acteren. Of: hoe de blanke bolster een rauw randje kreeg

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s