Bezocht: vier voorstellingen op Theaterfestival De Parade, Amsterdam, 2019

Na vorig jaar een ‘uitstap’ naar Utrecht te hebben gemaakt, bezocht ik Theaterfestival De Parade dit jaar weer in Amsterdam. Zonder een oordeel te kunnen vellen over de andere twee standplaatsen van dit evenement, Rotterdam en Den Haag, want daar ben ik nog niet geweest, moet ik zeggen dat ik opnieuw blij werd van het Martin Luther Kingpark – gevoelsmatig een veel ruimer terrein dan het Moreelsepark in Utrecht. Heerlijk was het om meerdere rondjes door dit Amsterdamse park te lopen, zonder het gevoel te hebben steeds hetzelfde tegen te komen.

Geen jaar is hetzelfde op De Parade. Met steeds nieuwe voorstellingen mag dat voor zich spreken, maar ik doel vooral op de uiteenlopende gevoelens die ik aan de bezochte edities heb overgehouden. Aangezien ik er tot nu toe een gewoonte van maak om van tevoren te bepalen welke voorstellingen ik ga bezoeken, is het altijd afwachten of mijn, vaak hoge, verwachtingen worden waargemaakt. Ik heb jaren gehad waarin ik onverdeeld enthousiast was over wat ik zag. Des te interessanter wanneer dat niet het geval is.

Circus der Componisten – Het wereld-akkoord

Anders dan in andere jaren heb ik niet zo strikt geselecteerd op toneel. Ik begon bij de interactieve, muzikale voorstelling ‘Het wereld-akkoord’ van Circus der Componisten. Dit ‘circus’ is een gelegenheidsformatie, bestaand uit Paradeoprichter Terts Brinkhoff, acteur en zanger Yorick Heerkens, muzikant Mauricio Lobão en de van oorsprong Egyptische acteur Sabrid Saad El Hamus. In een snel half uur lieten zij ons, het publiek, meezingen en ‘meemusiceren’ met een aantal liederen uit, hoe kan het ook anders bij een ‘wereld-akkoord’, diverse continenten. De voorstelling had vooral veel weg van een workshop: we ‘creërden’ muziek door knikkers in een glazen bakje te laten vallen en ritmes te maken met behulp van houten claves, we deden dansjes na en we zongen op een gegeven moment zowaar een Egyptisch slaapliedje (onder leiding van Saad El Hamus), met een verdeling in een mannen- en vrouwenpartij. Hoewel het de uitvoerend artiesten goed lukte om ons als publiek te enthousiasmeren en hoewel ik overtuigd ben van het vakmanschap van elk van hen, was deze voorstelling c.q. workshop een misser. Met interactie is niets mis, maar er werd simpelweg te veel in een half uur gepropt, om nog maar niet te spreken over de noodzaak van deze voorstelling (toegegeven: de artiesten pretendeerden niks) en het totale gebrek aan samenhang. Áls je dan al een voorstelling in workshopvorm geeft, zorg dan op z’n minst voor enige relevantie en orde.

Ellen ten Damme en band – Ellen ten Damme en route

Wanneer je het repertoire van Ellen ten Damme slechts oppervlakkig kent – ik moet toegeven dat ik geen specialist ben en vooral onder de indruk ben van haar als artieste en zangeres – is het verleidelijk te denken dat je naar een show vol Franse chansons gaat kijken en luisteren. Uiteraard biedt Ten Damme veel meer, zo ook nu: ze gaat letterlijk ‘en route’. Gehuld in oogverblindende kostuums laat ze ons niet alleen genieten van de muziek van de Franse chansonniers, ze voegt ook veel oosterse elementen in. Zelden heb ik zo’n mooie uitvoering van Fairouz’ Nassam Alayna Al Hawa gehoord. Ellen ten Damme zingt als altijd de sterren van de hemel en wordt begeleid door vier muzikanten van The Magpie Orchestra. Wat een feest om naar te kijken en te luisteren. Gaan! En zo niet, bezoek dan in elk geval de voorstelling Casablanca, waarmee ze komend seizoen langs de Nederlandse theaters tourt…

Rosa Ensemble – Beefheart – Pork Treat Musical

Hans Dagelet is een veelzijdig acteur en artiest – vooral daarom raakte ik benieuwd naar zijn optreden op De Parade. Misschien is het generatiegebonden, misschien heb ik onder een steen geleefd, maar Captain Beefheart, de artiest aan wie Dagelet samen met het Rosa Ensemble een eerbetoon bracht in deze voorstelling, was mij totaal onbekend. Het mag dan ook geen wonder heten dat ik erg verrast werd door de experimentele (rock)muziek die ten gehore gebracht werd. Ik ervoer het als een doordenderend optreden zonder enige tijd om ook maar iets op me in te laten werken: de muzikanten waren stuk voor stuk geweldig, Dagelet toonde zich een uitstekend leider en performer, de vertaalde teksten barstten van de alliteraties, en, en… – ik doe niet alsof ik er verstand van heb; twee gedachten domineerden na afloop: 1) Had ik me nou maar iets meer verdiept in Captain Beefheart voor ik naar dit optreden ging; 2) Waar heb ik zojuist naar gekeken en geluisterd? Conclusie: genoeg verwondering bij mij om het een geslaagde voorstellingskeuze te noemen.

YoungGangsters & DOX – Don’t wanna fight

Het summum van fysiek theater. Van de eerste tot en met de laatste minuut zat ik op het puntje van m’n stoel (of houten bank) te kijken naar wat YoungGangsters & DOX neerzetten: een bloedspannende voorstelling bestaand uit confrontatie, intimidatie, geweld (niet voor niets wordt in de aankondiging gesproken van een vechtchoreografie), maar, zoals het echte dansers betaamt: wel sierlijk en superstrak. Pom Arnold, Ali Zanad, Deion Holwijn, Noah van der Burght en Liza Panjoel maakten stuk voor stuk veel indruk met hun perfect getrainde performances. De vraag was continu hoe de één nu weer op de zoveelste imponerende beweging van de ander zou reageren. Zichzelf ondersteunend met dierlijke geluiden gooiden de dansers zich volledig in de strijd. Bijna zonde was het dat er zo nu en dan een gesproken tekstregel tussenzat: ‘That hurts’, tja, dat zien en voelen wij als publiek al wel. Maar wát een show.

De Parade is nog tot en met zondag 25 augustus te bezoeken.
Tot in 2020?

Acteren, alsof ik er echt eentje ben – deel 2: Weg de ambtenaar, welkom de acteur

Het heeft even geduurd voor dit tweede deel over het ‘Grote Acteeravontuur te Amsterdam’ af was. Aanvankelijk was ik van plan dit stuk ‘meteen na de laatste lesdag’ te publiceren, maar zoals dat kan gaan na acht weken intensieve onderdompeling: er bleef genoeg stof tot nadenken over, evenals noodzaak (daar gaan we weer…) om een en ander te laten bezinken. Het klinkt zwaarder dan het is. Ik kan terugkijken op een intensieve, maar fantastische periode.

In deel 1 heb ik uitgebreid verteld over de in de lessen gehanteerde driedeling spel, beweging en stem. Waar we in de eerste vier weken van al deze componenten wat meekregen, lag het accent in de tweede helft op spel en beweging. Wegens andere verplichtingen heb ik één dagdeel moeten overslaan – jammer, want uitgerekend toen werd de les camera-acteren gegeven. Hoewel ik in eerste instantie richting theater neig, had ik die les heel graag willen volgen.

Gelukkig bleef er nog genoeg spel- en bewegingsplezier over. Zo mocht ik mijn liefde voor tekstbehandeling botvieren op een dialoog uit De meeuw van Tsjechov. Een beschrijving van de inhoud van dit wereldberoemde toneelstuk geef ik hier niet, maar dat het tot het standaardrepertoire van iedere beetje beginnende toneelspeler moet behoren, werd al snel duidelijk. Met klein en krachtig spel lukte het me om de juiste toon te vinden voor het overbrengen van de tekst aan mijn tegenspeler.

Een ander memorabel onderdeel van de lessen was het letterlijk kopiëren van een bestaand persoon op YouTube, in beweging en in stem. Wie had gedacht dat ik me nog eens zou transformeren tot de Rotterdamse Lau, die inmiddels ruim tien jaar geleden beroemd werd dankzij een filmpje waarin hij met zijn vrouw Tiny de kerstboom aan het optuigen was? Ikzelf in ieder geval niet. Om deze man tot op de millimeter te kunnen spelen, bestudeerde ik één minuut van het legendarische filmpje en nam ik alle lichaamsbewegingen en alle woorden, inclusief tussenwerpsels, van Lau over. Ik vind het zonde dat ik het niet op film heb. Na deze minuut in de les ‘nagespeeld’ te hebben, kreeg ik de opdracht om ‘als Lau’ geïnterviewd te worden en alle antwoorden te improviseren vanuit zijn lichaamshouding en stem. Alsof dat nog niet genoeg was, kon ik hem een week later nog een keer ten tonele voeren, maar dan in een situatie waarin onder meer een tafel gedekt moest worden. Deze situatie speelden we, al improviserend, in tweetallen. Ieder van ons had weer een ander beroemd YouTube-type bestudeerd. Zo heb ik gegierd van het lachen om, onder meer, zeer gelijkende vertolkingen van Rapper Sjors en Nel Veerkamp. Onder de bezielende leiding van onze speldocente maakten we scènes waarin we steeds nieuwe opdrachten kregen. Hoe wrang is het dan om een paar weken later te moeten lezen dat Lau er niet meer is… ik vond het een feest om hem vorm te geven. ‘Zit het helemaal weer door mekaar heen gefrommeld!’

Uiteindelijk volgde de evaluatie van acht weken spelen. In een kring kregen we als deelnemers één voor één te horen welke indruk we hadden achtergelaten op de docenten. Gelukkig klopte veel van wat ik aan feedback terugkreeg, met mijn eigen beleving. Het bekende ‘uit het hoofd, in het lijf’ passeerde de revue, evenals het ‘met de ander bezig zijn’ en ‘in het moment spelen’. Want hoe goed en scherp ik zo’n Lau ook neerzet, zolang ik te veel gefocust ben op het goed neerzetten van een personage en te weinig op de situatie en op de ander, kom ik ook niet tot echt acteren. Bovendien heb ik gemerkt dat het opzoeken van emoties in mijn lijf veel beter gaat vanuit rust en ‘klein’ stemgebruik: zodra ik mijn hoofd, schouders en stem onder spanning zet, werkt de rest van het lijf niet meer mee en blijft het spel vlak. Ook vind ik elementair spel nog moeilijk: een basale opdracht als ‘iets zoeken wat ik kwijt ben’ ziet er nog te veel uit als ‘spelen dat ik iets zoek wat ik kwijt ben’. Genoeg om aan te werken dus, maar, en daar ben ik heel blij om: er is groei. Het stagneert niet. Ik heb het rauwe randje in het spel al veel meer kunnen vinden dan tijdens het hiervoor gevolgde lestraject, en er is enorm veel spelplezier en (daardoor ook) -potentie zichtbaar geweest voor de docenten. Zolang de ‘stijve ambtenaar’ in mij maar verdwijnt en de acteur maar tevoorschijn komt.

Het maakt me dan ook enorm trots dat ik uitgenodigd ben om het eerste jaar van de vakopleiding Theater/Toneel te komen volgen. Het hoe, en het wat, en het wanneer, dat is zorg voor later, maar dat ik de kans krijg om mijn theaterambities op deze manier te ontwikkelen, is fantastisch.

Opnieuw was het een feestje om acht weken lang met gepassioneerde medespelers en met een geweldig docententeam te werken. Dank!

Acteren, alsof ik er echt eentje ben – deel 1: Noodzaak

‘Het voelde zowaar al vertrouwd vandaag om het […] gebouw binnen te lopen; alsof ik er al jaren kom en het een thuisbasis is om te spelen.’

Dit schreef ik ruim 2,5 jaar geleden. Ik volgde vijf dagen lang acteerlessen op een theaterschool met een ruime staat van dienst, in onze hoofdstad. Nu ben ik, voor een periode van acht weken, terug op deze plek. Omdat spelen me nu eenmaal vervult. Ik weet niet hoe ver ik kom. Of het ooit een professie wordt (oké, diep vanbinnen hoop ik dat wel), of een ruim ontwikkelde passie naast mijn huidige beroep. Het is nu genoeg om dit te voelen: acteren is een vak. Een ambacht, waar ik met liefde van proef. Waar ik elk facet van wil meemaken. Spelen, in welke hoedanigheid dan ook, is noodzaak.

Inmiddels ben ik op de helft van dit vervolgtraject en verwonder ik me opnieuw over alles wat er kan gebeuren op vier ‘simpele’ zaterdagen. Het is alleen al bijzonder om te ervaren wat er ontstaat binnen een groep gepassioneerde mensen die elke week met plezier naar de school komen om de spellessen te volgen. Allemaal hebben we wat anders gedaan. Van talloze projecten bij een theatergroep tot een eerder gevolgde opleiding. Allemaal zitten we in een andere fase. Vers van de middelbare school en druk audities aflopend, of juist al tien jaar rijper en midden in een loopbaan. Het mooie is: voor de spelinput maakt het niet uit. Iedereen brengt prachtige ideeën in tijdens de improvisaties. Leuk en aardig, maar wat dóen we dan echt?

Om te beginnen gaan we terug naar de basis: wat is toneelspelen? Een combinatie van techniek in lichaam, mimiek en stem en het zoeken van de eigen emotie in het lijf om iets of iemand neer te zetten. Het is zeker geen trucje. Waarachtig spel gaat over geloofwaardigheid en helderheid, ofwel noodzaak: wat wil je van de ander?

We krijgen lessen in scèneopbouw. Wat is de exposé, ofwel de beginsituatie? Welk conflict ontstaat er vervolgens? Hoe werk je dat conflict uit? En hoe eindigt de scène? Dat kan je in eindeloos veel vormen doen. Wij deden het onder andere in een First Dates-setting. Op een briefje lazen we van tevoren wie we speelden en wat we van de ander wilden, zonder dat aan de ander te vertellen. Al improviserend maakten we vervolgens scènes waar steeds één duidelijke winnaar uit kwam: één speler die uiteindelijk zijn of haar doel bereikte. Als asociale vent speelde ik de nachtmerrie van iedere vrouw die ooit op date gaat: ik spuwde op de grond, legde mijn voeten op tafel en schoof steeds dichter naar mijn date toe. Maar ja: de vrouw die ik datete, had al via haar beste vriendin van mij gehoord en kwam dus ook langzaam tot het besef met wie ze te maken had…

De bewegingslessen staan meer in het teken van het gebruik van het lichaam, zonder tot echt concrete personages of scènes te komen. We werken met de zeven energieën van Stanislavski en bewegen ons steeds door de ruimte, terwijl we elke energie opbouwen van 1 naar 10. Van gerichte, economische energie tot ongerichte, zwevende energie. Van contractie, waarin impulsen steeds worden afgebroken, tot hypercontractie, waarin we compleet bevriezen.

Dan zijn er nog de stemlessen. Het werken met monologen vanuit stemgebruik. Niet alleen articulatie blijkt belangrijk, ook de inzet van het lichaam is essentieel om tekst over te brengen. Ik vind het werken met monologen het leukst, omdat ik dan kan putten uit al het prachtigs dat al geschreven is (ja, ik blijf een tekstman). Zo heeft Don Duyns een boekje getiteld ‘Mannenmonologen’ geschreven, waarin allerlei typen mannen aan het woord komen. Zo ook de zakenman, die net een nieuw huis heeft betrokken met vriendinlief. Tegenover alle genodigden op de housewarmingparty moet hij tóch even pochen dat hij die blonde makelaar een ontzettend lekker ding vond…

Dit is nog maar een greep uit het brede aanbod van de afgelopen vier weken. En hoe bekend de plek ook, ik merk wel verschil met 2,5 jaar geleden. Dat de spellessen een niveautje hoger liggen, is logisch, maar ik durf zelf oprecht meer lelijkheid, meer rauwheid in m’n spel te gooien. Ze zeggen wel eens: levenservaring helpt, en volgens mij is dat ook zo. Ik moet nog steeds veel leren en nog steeds veel afleren, maar spelen wordt nog iedere keer interessanter. Dankzij mijn medespelers, dankzij de topdocenten uit het werkveld van film, televisie en theater en dankzij mezelf.

Terechte hypes? – Bird Box (2018)

In de categorie ‘Terechte hypes?’ bespreek ik actuele boeken, films of andere verschenen producten waarover veel wordt gepraat, veelal positief. Vind ik het gejubel terecht, of mag er ook wel wat kritischer naar worden gekeken? Vandaag: Bird Box (2018)Let op: spoilers.

Blog 'Bird Box' - afbeelding

Het probleem met hypes is dat ze vaak aan me voorbijgaan. En als ik wél op de hoogte ben, is de hype al zo vaak aangeprezen dat ik mijn interesse meteen verlies. Want: als iedereen het leuk vindt, zal het wel niet echt interessant zijn. Te toegankelijk, te gelikt, te makkelijk. Hoe zit dat met Bird Box, de thriller die sinds 21 december wereldwijd te zien is op Netflix?

De film begint interessant: een moeder, Malorie, vertelt haar kinderen (die ze Boy en Girl noemt) dat ze op een gevaarlijke reis over de rivier zullen gaan. Ze laat er geen gras over groeien in haar toon: de kinderen moeten, net als zijzelf, geblinddoekt blijven. De reden blijft niet lang verhuld: wie zijn blinddoek afdoet, sterft. De wereld wordt geteisterd door ‘demonen’ die ervoor zorgen dat iedereen die hen in de ogen kijkt, gek wordt en op gruwelijke wijze zelfmoord pleegt. Dit mysterie, dat eigenlijk geen mysterie genoemd mag worden, wordt onthuld aan de hand van verschillende flashbacks die duidelijk maken hoe Malorie en haar kinderen in deze situatie gekomen zijn en wie ze tot dan toe al hebben ontmoet. Ook komen we te weten waar de reis over de rivier heen leidt en hoe het lot voor het drietal wordt bezegeld.

Een terugkerende gedachte tijdens het kijken van de film was: het ziet er allemaal heel mooi uit, maar het pakt me niet. Een postapocalyptische wereld, dat hebben we meer gezien. Totale chaos, dat kennen we. Een claustrofobisch gevoel, dat geven wel meer films. Die bijpersonages, die ben ik na een paar dagen vergeten. Er wordt voor mijn gevoel heel veel bijgesleept, vooral wat de bijrollen aangaat. De kijker moet en zal sympathie krijgen voor de andere ‘survivors’ die Malorie ontmoet. En dat lukt niet. De zwangere moederkloek Olympia (Danielle Macdonald) is schattig, maar cliché. De indringende Gary (Tom Hollander) is mysterieus, maar komt niet door het scherm heen. En de vaderfiguur Tom (Trevante Rhodes), die lange tijd als enige overlever met Malorie en haar kinderen overblijft, is een stabiele factor, maar niet diepgaand genoeg.

Twee factoren houden Bird Box overeind: de beelden en Sandra Bullock. Het is indrukwekkend om te zien hoe de hele wereld tot waanzin wordt gedreven door de demonen: de zelfmoorden zijn gruwelijk, maar prachtig in beeld gebracht; de compleet ‘afgedekte’ locaties dragen bij aan het claustrofobische gevoel dat de film teweegbrengt – kortom: visueel is Bird Box perfect gelukt. Daarnaast draagt Bullock de film: zij laat de verschillende lagen van Malorie (die niet eens zo’n gelaagd personage is) goed tot uiting komen en weet, hoewel het even duurt, als enige actrice echt binnen te komen.

Kortom: behoort Bird Box tot de terechte hypes? Enkel als het aankomt op het visuele en op het acteerwerk van Bullock. Oké: ook het aardige einde van de film, dat tenminste nog iets aan interpretatie overlaat, mag apart worden vermeld. Helaas is de hype wat betreft de overige factoren niet terecht: te cliché, te weinig aangrijpend en we worden als kijker te veel aan het handje genomen.

Bezocht: vijf voorstellingen op Theaterfestival De Parade, Utrecht, 2018

IMG_20180809_163405_912

Als het even kan, maak ik ieder jaar tijd voor een bezoek aan Theaterfestival De Parade. De sfeer van een theaterfestival an sich is voor mij al onbetaalbaar; op De Parade ben ik ook nog eens verzekerd van een flink aantal voorstellingen waar het vakmanschap van afstraalt, dankzij de vele ervaren acteurs en muzikanten. De afgelopen jaren zocht ik steeds Amsterdam op; dit keer was het logistiek handiger om Utrecht aan te doen.

Zoals vrijwel elke keer maakte ik mijn selectie van te bezoeken voorstellingen vooraf. Enerzijds zet ik daarbij mijn intuïtie in, anderzijds ga ik af op variatie: ik probeer altijd minstens twee of drie voorstellingen met gerenommeerde acteurs te boeken, één of twee voorstellingen van jonge makers en minimaal één muzikale voorstelling. Dat principe is zeer rekbaar. Verder eindig ik de dag het liefst met iets luchtigs. En natuurlijk: er staan altijd acts tussen die ik graag had willen zien, maar die net niet spelen op een dag die mij uitkomt. Zo vielen Kiki Schippers met ‘Waar’, H.E.A.R. met ‘Babi Gangbang’ en Theater Nox met ‘Wachten op Macbeth’ tot mijn grote spijt af. Wie deze voorstellingen wel heeft gezien, mag mij binnenkort zeker vertellen wat ik gemist heb.

Nu volgt een overzicht van wat ik wél heb gezien. Ik zal de omschrijvingen van zo min mogelijk spoilers voorzien, zodat een ieder die nog nieuwsgierig is en een bezoekje aan De Parade op de planning heeft staan, de keuze kan maken om zo blanco mogelijk naar een van deze voorstellingen te gaan. Klik op de titels voor meer informatie en voor de speeltijden.

De Dialoog Coöperatie – Give Peace a Chance

In de steevast op De Parade aanwezige Theatertoren spelen actrices Joke Tjalsma en Dette Glashouwer het echtpaar John Lennon en Yoko Ono. Uit de titel van de voorstelling spreekt natuurlijk de verwijzing naar het antioorlogslied dat Lennon schreef in Montreal, Canada, waar hij met Ono een geweldloze protestactie tegen de Vietnamoorlog hield door onder internationale aandacht voortdurend in bed te blijven. Wat is het effect als het beroemde beeld van Lennon en Oko in bed (met daarboven de beroemde teksten ‘Hair Peace’ en ‘Bed Peace’) wordt geprojecteerd op deze tijd, gekenmerkt door individualisme en verhuftering? Zelfs met de wijsheid van nu, geïnspireerd op het boekje Vrede kun je leren (2017) van David van Reybrouck en Thomas d’Ansembourg, blijkt dat het nog helemaal niet zo gemakkelijk is om het creëren van vrede in eigen hand te nemen en dat niet alles is terug te voeren op onderliggende behoeften. Tjalsma en Glashouwer laten dat op treffende wijze zien door te spelen met deze uitgangspunten en het publiek op een speelse manier te betrekken. De voorstelling is zeker aan te bevelen vanwege de sterke teksten en het heldere spel van de actrices.

Studio AMORRA – Een sprookje voor millennials

Het liet zich al raden bij het zien van voorstellingslocatie Cinerama: ‘Een sprookje voor millennials’ zou zich minimaal voor een deel op het witte doek afspelen. Even wennen is het wel, een voorstelling die voornamelijk audiovisueel is opgebouwd en dat vervolgens combineert met de fysieke aanwezigheid van acteur Harm Duco Schut, maar knap gemaakt is ‘Een sprookje voor millennials’ zeker. Fotografe Anouk van Kalmthout tekende voor de visuals en schiep een indrukwekkend buitenaards eiland, een zogeheten party-eiland, met de naam AMORRA, dat gedurende de voorstelling op het scherm getoond wordt. Als er een komeet op AMORRA afkomt, springt hoofdpersoon Adam (Schut) van een klif en komt hij in een onderwaterwereld terecht. Dat Schut op zowel beeld als toneel te zien is, draagt enorm bij aan het gevoel dat de voorstelling overbrengt.  De vele metaforen hadden op mij als toeschouwer een sterkere werking dan de tekst en het spel, maar deze ervaring van 20 minuten is zeker het bezoeken waard.

De Hollandse Von Trapps – De Sound of Mucus

Veelbelovend alleen al was de lange rij die zich vormde voor Teatro Cuatro, waar de voorstelling ‘De Sound of Mucus’ gespeeld zou worden. Ingelost werd die belofte zeker: in een muzikaal en theatraal spektakel van 30 minuten schetsen Hein, Olga en Porgy Franssen een veelkleurig portret van hun muzikale gezin van veertien kinderen. Omlijst door het pianospel van Hein, het gitaarspel van Olga en de zang van beiden (al was Olga deze avond haar stem kwijt en sprong zus Bea voor haar in wat betreft het vocale gedeelte), neemt acteur Porgy Franssen ons mee in het verhaal van het muzikale gezin Franssen, dat hij ook wel de Hollandse Von Trapps noemt. Wat volgt, is deels een geestig meezingfestijn met liederen uit The Sound of Music (Hein dweept ermee; Porgy zet zich ertegen af), deels een even vermakelijk als ontroerend familieverhaal, voorzien van een tijdsbeeld dat herkenning oproept bij het overwegend ‘wat oudere’ publiek (geboren in de jaren veertig of vijftig). Dat wil niet zeggen dat de voorstelling niet geschikt is voor wat ik de millennialgeneratie zal noemen. Zo voelde ik me zelden zo meegenomen in een verhaal op De Parade als tijdens ‘De Sound of Mucus’. Gaat dat zien.

Big Night Producties – De mooiste jaren van ons leven

Zonder details weg te geven van het verhaalverloop, raad ik ‘De mooiste jaren van ons leven’ alleen al aan vanwege de beleving. Het publiek neemt plaats op een overdekte tribune in Theater Correct en krijgt een koptelefoon op met passende achtergrondmuziek en de uitversterkte stemmen van de acteurs, terwijl de acteurs zelf in de open lucht staan te spelen en zomaar voor of achter gepasseerd kunnen worden door voorbijgangers. Het effect daarvan is om te beginnen zeer geestig; verder onderstreept dit beeld het verhaal en de thematiek erg goed. Bart Klever, Arie Kant en Har Smeets, drie oudere en zeer ervaren rotten in het toneelvak, spelen drie boezemvrienden die elkaar op verschillende momenten in het leven tegen blijven komen en, hoewel ze elk hun eigen weg zijn gegaan, steeds weer verbonden blijken door hun liefde voor één vrouw. Enige research maakt duidelijk dat het verhaal gebaseerd is op de film C’eravamo Tanti (1974) van de Italiaanse regisseur Ettore Scola, maar dit hiaat in mijn kennis weerhield me er niet van me mee te laten voeren, al was het maar door de prachtige vertelstem van Smeets.

LuckyTV – Lucky Foundation Televisiegala

Enige ‘flauwekul’ of luchtigheid mag zoals gezegd niet ontbreken tijdens een Paradebezoek, en daarom sloot ik de avond af met het door Sander van de Pavert gepresenteerde Lucky Foundation Televisiegala. Zoals op elk beetje benefietgala het publiek met nadruk wordt opgeroepen geld te doneren, zo wordt de aanwezige mensen hier op geestige wijze verzocht hun stem te geven aan die arme Bekende Nederlanders die slachtoffer zijn van eh… tja, het laat zich raden. Van de Pavert doet waar hij goed in is: hij presenteert het gala op aanstekelijke wijze en vrijwaart zijn voorstelling uiteraard niet van zijn bekende LuckyTV-stemmen. Verrassend is het allemaal niet; vermakelijk zeker wel. Een lekkere apotheose van weer een zeer gevarieerd bezoek aan De Parade. Op naar 2019.

Verrassend Vervolg: Please Like Me (2013-2016)

Please-Like-Me-Netflix

Australië is voor mij in veel opzichten onontgonnen terrein. Ik heb het continent nog niet bezocht en ik ben amper bekend met zijn culturele exportproducten. Zo ook met Australische films en televisieseries. Toen ik zo’n twee weken geleden bij toeval op de serie Please Like Me (2013-2016) stuitte, dacht ik alleen maar: het is zomer, de beschrijving op Netflix doet niet al te zwaar aan – laat ik het eens proberen. Op papier klinkt het immers behoorlijk cartoonesk: ‘Nadat zijn vriendin hem gedumpt heeft, beseft Josh dat hij homo is. Hij gaat naar bed met een aantrekkelijke kennis en trekt in bij zijn suïcidale moeder.’ Oké, dat van die suïcidale moeder doet wel enig drama vermoeden, maar toch.

Tijdens de eerste tien minuten leek mijn vooringenomenheid wat betreft dat cartooneske te worden bevestigd: de twintigjarige hoofdpersoon Josh zit met vriendin Claire op een terras; Claire maakt het uit, want ze is er zeker van: Josh is homo. Josh reageert met nogal stereotiepe trekjes. De eerste karikatuur hebben we al, dacht ik. Toch maar verder kijken. Josh denkt dat zijn interesse in mannen slechts een fase is, maar wanneer hij zijn beste vriend Tom opzoekt op zijn werk, is daar ook Geoffrey, tot wie Josh zich algauw aangetrokken voelt – van het een komt het ander. We leren de sociale omgeving van Josh in rap tempo kennen: hij deelt een lekker studentikoos ingericht huis met Tom, die overigens op het punt staat zijn relatie met de onzekere Niamh te verbreken; Josh’ ouders zijn uit elkaar; hij heeft veel te stellen met zijn moeder Rose, die aan een bipolaire stoornis lijdt; zijn vader Alan heeft de relatie met de uit Thailand afkomstige Mae en ze hebben samen een jong dochtertje: Grace, het halfzusje van Josh. Al met al genoeg voer voor complexe situaties en bovendien meer drama dan op het eerste gezicht gedacht. En dat is knap, zeker als je kijkt naar het hoog humoristische gehalte van de serie, waarover verderop meer.

Please Like Me is, zoals het bovenstaande hopelijk al enigszins duidelijk maakt, geen serie over homoseksualiteit. Hoewel we als kijker de coming-out en de avontuurtjes van Josh van dichtbij beleven, vormen deze elementen slechts onderdeel van een verhaal dat hoofdzakelijk gaat over jonge mensen die in hun ‘early twenties’ te maken krijgen met alle onvoorspelbaarheden van het leven, waar ze zich dankzij hun hechte vriendschap doorheen weten te slaan.

Sterspeler Josh wordt gespeeld door Josh Thomas, een Australische acteur en komiek die zelf aan de serie meeschreef en, naar eigen zeggen, flink wat autobiografische elementen in het script heeft verwerkt. Gedurende vier seizoenen leven we mee met Josh: we volgen zijn dates en relaties, we zien hem zich manoeuvreren tussen de complexe familieverhoudingen (vader Alan en moeder Rose mogen dan uit elkaar zijn, maar is de liefde echt over?) en, het belangrijkste, we beleven Josh’ zoektocht naar zichzelf. Want hoewel hij te maken krijgt met zeer heftige verwikkelingen (moeder Rose wordt een tijdje opgenomen in een psychiatrische inrichting; Josh zelf heeft de nodige break-ups; zijn ‘inmiddels goede vriendin’ Claire blijkt in de loop van de serie zwanger te zijn en laat met steun van Josh abortus plegen), treedt hij die gedurende het gros van de serie met humor, enig sarcasme en zelfs schijnbare apathie tegemoet. Luchtigheid om te overleven, lijkt het. Het is verleidelijk om het karakter van Josh te omschrijven als ‘egoïstisch’, ‘sarcastisch’ en ‘aanstellerig’ – een echte millennial die zich het centrum van de wereld waant. Toch blijkt hij, in het geheel niet verrassend, over een oprechte overgevoeligheid te beschikken. Zo wijst hij zijn familie en vrienden keihard terecht tijdens een gezamenlijk kerstdiner en zorgt een dramatische gebeurtenis tegen het eind van de serie voor groot verdriet.

De karakters en bijbehorende casting vormen wat mij betreft een van de sterkste elementen van de reeks. Tom (Thomas Ward) is een overtuigende goedzak met laffe kantjes en een trouwe beste vriend van Josh. Claire (Caitlin Stasey) blijft tijdens de hele serie een heerlijk impulsieve, maar sympathieke gezamenlijke vriendin van Josh en Tom. En laten we de volwassen acteurs niet vergeten. David Roberts zet een zeer menselijke, onzekere en goedbedoelende vader Alan neer. Een mooie rol is weggelegd voor actrice en komiek Hannah Gadsby, die zeer recent nog opzien baarde met haar op Netflix verschenen stand-upcomedyact Nanette (2018). In Please Like Me speelt zij de door depressie geplaagde Hannah (een patiënt in de psychiatrische inrichting van moeder Rose) zo overtuigend dat het grappig en ontroerend wordt. En Debra Lawrence won terecht twee Awards voor haar briljante vertolking van moeder Rose.

Please Like Me liep van 2013 tot 2016 en is daarmee niet eens meer zo nieuw, maar ik ben erg blij dat ik de serie heb ontdekt en van begin tot eind heb bekeken. Eerder noemde ik al het humoristische element ervan, dat veelvuldig wordt ingezet om te laten zien hoe vrijwel alle personages omgaan met wat op hun pad komt. Onvergetelijk is het nog niet eerder genoemde karakter Aunt Peg (gespeeld door Judi Darr), dat in het eerste seizoen als humeurige oudtante geïntroduceerd wordt en enorm grappig blijkt te zijn. Ik bedoel: wie had kunnen verzinnen dat een dame van haar generatie heerlijk mee zou swingen in de auto met het beroemde nummer “5, 6, 7, 8” van Steps? Onderstaande scène (die nog steeds een brede grijns op m’n gezicht tovert) spreekt voor zich:

Ik heb, dankzij Please Like Me, heel wat goede Australische acteurs leren kennen. Maar vooral: ik heb zitten lachen en huilen bij deze serie. De mengvorm van humor en drama werkt erg aanstekelijk en ik beveel de serie dan ook van harte aan. Ter afsluiting licht ik nog twee scènes uit die de kracht van muziek tijdens moeilijke momenten (ook een motief in Please Like Me) goed laten zien en voelen.

De eerste scène vindt plaats kort na de break-up van Josh met Arnold (beide in het busje aanwezig) en laat een knap staaltje acteerwerk van Josh Thomas en Keegan Joyce zien:

De tweede en laatste scène laat de groep jongvolwassenen zien aan tafel in het huis van Josh en Tom. De situatie is enigszins bizar: ze hebben hun haan Adèle om het leven gebracht om die avond te verorberen (ja, dierendoding om vlees wordt niet gemeden), omdat hanen niet mogen worden gehouden in woongebieden en deze optie van twee kwaden het minste bleek. Om de haan te herdenken, zingen ze gezamenlijk ‘Someone like you’. Absurd, maar het effect is ontroerend:

Nut of Niet? Deel 2: Voor het geld hoef ik het niet te doen

It's all about the money

Meja zong het al in 1997: it’s all ‘bout the money. Nu, ruim twintig jaar later, is het niet minder lastig geworden om anders naar de wereld te kijken. We varen wel bij een goeddraaiende wereldeconomie. Alles lijkt te koop. We maken zelfs gebruik van een gedecentraliseerd systeem om elektronisch geld uit te wisselen, in de vorm van bitcoin. Ik heb me er niet in verdiept, laat staan dat ik dat van plan ben. Eén ding heb ik allang besloten voor mezelf: voor het geld hoef ik het niet te doen.

Helemaal waar is dat natuurlijk niet. Ik mag het eerste deel van deze ‘Nut of Niet?’-reeks dan hebben afgesloten met de woorden dat ik lesgeef omdat ik van het onderwijsambacht houd – wat ook zo is – tegelijkertijd vormt dit ambacht wel mijn broodwinning. Voornaamste broodwinning, zou ik willen zeggen, maar dat zou, om te beginnen, impliceren dat ik meerdere inkomstenbronnen heb. Bovendien verraadt het bewuste gebruik van het woord ‘voornaamste’ dat ik het belangrijk vind om te benadrukken dát ik meerdere inkomstenbronnen heb.

Ik zei het al: instrumentalisering is verleidelijk. Maar de bijbehorende insteek, besef ik steeds vaker, is verkeerd. Als ik mezelf hoor praten over toneelspelen en stemacteren, ja zelfs over bloggen, dan laat ik altijd wel ergens de zin vallen ‘dat die dingen in de toekomst een mooie inkomstenbron zouden kunnen vormen’. Ten eerste hebben we niks aan ‘de toekomst’; we leven nu. Verder: de vraag of ik er geld mee verdien of ga verdienen, is op dit moment totaal niet relevant. Er is maar één gemeenschappelijke factor die ertoe doet: ik vind toneelspelen, stemacteren en bloggen leuk. Er mag plezier gemaakt worden. De rest komt pas daarna. Of niet. Die mogelijke extra boterham is een bijkomstigheid. It’s all about the right order.

Ja, die ga ik nog regelmatig herhalen voor mezelf: ‘all about the right order’. Liever vertier dan gedoemd tot bankier – zoiets. Voor het geld hoef ik het niet te doen. Ook voor persoonlijke ontwikkeling hoef ik het niet te doen. Verdomd, ik vond dat ik alles ergens voor moest doen. Dat vind ik stiekem nog steeds.

Fietste ik als kind het speelplein over om een wedstrijd te winnen en succesvol te zijn? Maakte ik me druk over de educatieve waarde van ‘vrij spelen’ op school? Dacht ik tijdens dat spelen echt bij mezelf: ‘ah, hier krijg ik betere sociale skills van’? Kon het me vroeger iets schelen dat ik twee tot drie keer op een dag ingesmeerd moest worden om me voor verbranding te behoeden in het buitenzwembad? Tja… ‘na afloop’ heeft dat laatste me zeker een paar keer iets kunnen schelen – maar verder wilde ik toch zo snel mogelijk het water in, om in het rond te kunnen spetteren dat het een lieve lust was? Eén ding had ik allang besloten voor mezelf: …

Nut of Niet? Deel 1: Zomervakantie

Nuttig of nutteloos

Ik heb zomervakantie. Dat brengt mijn beroep nu eenmaal met zich mee. Het leraarschap houdt in dat je, in ieder geval zes weken per jaar, op pauze staat. Eigenlijk langer, als je alle schoolvakanties meerekent. Maar laten we eerlijk zijn: voor de fanatiekelingen, de onrustige geesten, de eindeloos draaiende motoren, zijn die overige vrije weken vooral veredelde lesvrije periodes.

Voor een onrustige geest in het kwadraat, in casu mijzelf, is de zomervakantie niet anders dan alle andere schoolvakanties. Ik vind het moeilijk. Ik kan mezelf namelijk onmogelijk verplicht op pauze zetten. Het voelt tegennatuurlijk. Nou, dan: maak jezelf iedere dag moe. Ga sporten. Ga een lange wandelvakantie houden. Onderneem dingen. Doe waar je tijdens zo’n schooljaar niet aan toekomt. Haal stemacteerklussen binnen voor je startende bedrijf. Maak een leeslijst en houd je eraan. Ruim je huis van onder tot boven op. Allemaal bevelen die ik me mezelf iedere dag hoor geven. Want, tjongejonge: de tijd van lamlullen en luieren is nu toch wel eens een keer voorbij. Toch?

Ware het niet dat lichaam en geest elkaar tegenspreken. Gelukkig is er ook nog een lichaam, dat aangeeft dat het die zomervakantie wel degelijk hard nodig heeft om op te laden. En gelukkig leer ik steeds beter naar dat lichaam te luisteren. Maar dat wil niet zeggen dat dat makkelijk is. Luisteren naar je lichaam, het lijkt wel een ambacht. Het is een ambacht. En een ambacht valt niet van de ene op de andere dag onder de knie te krijgen.

Dat brengt me op een ander punt. Alle bovengenoemde bevelen aan mijzelf hebben één ding gemeen: ze zijn gericht op nut. ‘Nut’. Eigenlijk een gek woord. Met een beetje fantasie komt er een denkbeeldige streek die aan Friesland grenst in me op, waar ‘nut’ zo veel betekent als ‘niet’. Ik hoor de plaatselijke bevolking al zeggen: ‘Do hast nut oan’ ofwel ‘Dat hoef je niet te doen’. De werkelijkheid is harder: de Friezen bedienen zich niet van het zachtklinkende ‘nut’, maar zeggen toch echt ‘net’ (‘het ken net’, herinnert u zich die reclame nog?).

Svend Brinkmann, de Deense hoogleraar psychologie, die met zijn antizelfhulpboek Stå fast (2014) – in Nederland vertaald als Standvastig (2015) – aardig wat stof heeft doen opwaaien,  geeft in zijn meer recente publicatie Standpunten. Wat we van de grote filosofen kunnen leren (2017) een interessante benadering van het begrip ‘nut’. Vandaag de dag zijn we er sterk op gericht om alles wat we doen, als instrument te zien: alles wat we doen, moet ergens toe leiden, moet ‘nut’ hebben. Het gaat meer om het middel dan om het doel. We doen dingen vaak niet meer om de dingen zelf, maar om wat ermee te bereiken zou zijn: persoonlijke ontwikkeling, geld, roem, status, een goed gevoel over jezelf. Brinkmann pleit juist voor het ambacht om het ambacht: word goed in wat je doet omwille van het ambacht zelf. Intrinsieke waarde en zingeving zit in het ambacht zelf, niet in het zogenaamde ‘nut’ of ‘hogere doel’ ervan.

Het mag geen verrassing heten dat ik me gemakkelijk laat meeslepen door die instrumentalisering. En ik ben er niet gelukkig mee, want ik raak erdoor verwijderd van mijn eigen waarden. Hoe verleidelijk het in deze tijd ook is om te denken in termen van nut, snelheid, geld, succes en persoonlijke groei: het is niet wie ik ben en wil zijn. Ik geef les omdat ik van het onderwijsambacht houd. Ik ben gaan stemacteren omdat ik van verhalen vertellen houd. In die zin is het jammer dat ik er nog niet zo goed in ben om iets ‘gewoon leuk’ te vinden zonder er een bepaald ‘nut’ achter te zoeken.

Maar goed, daar is het zomervakantie voor.

(7) Wat nooit af is en zal zijn – Familie, een making-of

It’s a wrap. Het pak van schoonzoon Koos kan weer in de kast. Het boek van de verteller is gesloten. De dubbelrol is gespeeld.

Enkele dagen na de laatste uitvoering van Familie zijn de eerste prikkels verwerkt. Er zijn drie heel verschillende voorstellingen gespeeld. De laatste was op afstand de fijnste. Ik ging deze derde voorstelling in met een zelfopgelegde opdracht: speel Koos zonder mening, zonder (voor)oordeel, maar neem deze alcoholverslaafde schrijver, deze eenzame schoonzoon, bloedserieus. Omarm hem. Pas wanneer je van je karakter houdt, kan je hem overtuigend neerzetten. En dat is gelukt.

Ik neem afscheid van dit theaterproject met een dubbel gevoel.

Enerzijds ben ik heel trots zo dicht bij een personage te zijn gekomen – dat heb ik nog niet eerder gehad. Ik kon dan ook veel van mezelf kwijt in Koos: de observant, de relativerende opmerkingen, de jongensachtige vreugde omdat ik in het verhaal een vriend had gemaakt en me dus minder eenzaam voelde.

Aan de andere kant heeft deze voorstelling me gedwongen tot een zekere nederigheid ten opzichte van mezelf als speler en, uiteindelijk, als persoon. Voorafgaand aan de laatste speelavond stelde onze regisseuse terecht dat theater draait om imperfectie. Om datgene wat nooit af is en nooit af zal zijn. Daarin zit schoonheid. En precies in dat proces, het accepteren van imperfectie, zit ik. Ik hoop met elk project een betere speler te worden. Elke keer een stapje hoger te kunnen. Maar met de hoop op ‘beter’ en ‘hoger’ ga ik juist voorbij aan de essentie: theater is zoeken. Leren lopen op het toneel, waarover ik al schreef, is zoeken. Het doorvoelen van een personage is het zoeken van de emoties en drijfveren van dat personage in mezelf. Zoeken naar imperfectie. Want Koos is niet perfect. Ik ben niet perfect. Theater is niet perfect. Het leven is niet perfect. What’s new?

Nou, het inzicht dat ik als speler en als mens beter in mijn vel ga zitten door het omarmen van imperfectie, dat is vrij new. En dat er door vertrouwd samenspel mooiere scènes worden gespeeld dan ik ooit van tevoren kan bedenken (zeker een vriendschapsscène in totale dronkenschap in een Zwitserse Stube), tja – dat herinnert me eraan dat je mooi theater vooral samen maakt. Het gaat niet om mij, het gaat om devotie aan wat je maakt en met wie je dat maakt.

Op naar het volgende imperfecte project. Wie doet er met me mee?

(6) In between – Familie, een making-of

Twee voorstellingen gedaan, one to go. Het besef vanavond alweer de laatste te spelen, maakt extra alert. Weer een productie om af te vinken.

Gisteren waren het er dus twee; het verschil in spelenergie was aanzienlijk. Waar we met zijn allen tijdens de eerste voorstelling nog onder hoogspanning stonden, leken we bij de tweede relaxter. Te relaxed, eigenlijk. Een typische tweede. Ik hoorde mezelf sommige zinnen zeggen op een toon waarvan ik dacht: hé, maar wie speel ik ook alweer?

Al met al klaag ik niet. De zaal was beide keren voelbaar aanwezig, onze spelersgroep was grotendeels scherp. En hard. Zoals het een familie in een Zwitsers chalet betaamt.

Nog één keer in het pak van Koos. En daarna: ‘allemaal met een goed boek, bij voorkeur van mij, naar bed.’